Ministers moeten vooral niet te snel opstappen

Na de vuurwerkramp in Enschede laaide het debat over de ministeriële verantwoordelijkheid op. De minister dient zich te allen tijde te verantwoorden want voortijdig aftreden doet geen recht aan het publieke ambt, meent Klaas de Vries.

Bij de parlementaire debatten over de vuurwerkramp in Enschede is aandacht besteed aan de betekenis van de ministeriële verantwoordelijkheid. Daarover bleek tussen regering en Kamer grote overeenstemming te bestaan. Dat is niet vreemd want dit leerstuk vormt al 150 jaar de hoeksteen van onze democratie. Wat wel vreemd is, is dat sommige commentatoren met de ministeriële verantwoordelijkheid maar moeilijk uit de voeten kunnen.

Ze komen daarbij regelmatig aanzetten met wat zij de Carrington-doctrine noemen. Deze `doctrine' – waar in Engeland nog nooit iemand van heeft gehoord – verwijst naar het spontane aftreden van Lord Carrington, als minister van Defensie in het Verenigd Koninkrijk, wegens het veronderstelde falen van zijn inlichtingendiensten tijdens de Falklandoorlog.

De doctrine is recentelijk in deze krant nog aangehaald, met een hoofdredactionele toejuiching aan het adres van de Portugese minister Coelho, die het politieke hazenpad koos nadat in zijn land een brug was ingestort, terwijl al tijden bekend was dat dit elk moment kon gebeuren zonder dat de regering er de nodige aandacht aan besteedde.

NRC-redacteur J.M. Bik meent dat mijn uiteenzetting in de Tweede Kamer van het Nederlands staatsrecht een nieuwe theorie zou behelzen, die neerkomt op ,,berouwvolle herhalingsoefening als ministeriële verantwoordelijkheid''. Kortom, alle aanleiding om de belangrijkste elementen van de staatkundige verantwoordelijkheden van een minister in relatie tot het parlement nog eens uiteen te zetten.

Uitgangspunt van ons systeem is dat een minister aan het parlement alle verlangde inlichtingen verschaft (artikel 68 van de Grondwet). Dat is vanzelfsprekend en gebeurt dus niet alleen op verzoek. ,,Verantwoording is de ziel van de democratie'', heb ik in de Kamer gezegd.

Wat valt er nu onder die informatieplicht?

Het antwoord daarop is kort: daaronder valt alles wat zich binnen de kring van zijn bevoegdheden op het werkterrein van de minister afspeelt of heeft afgespeeld. De ratio hiervan is helder: het parlement moet altijd een bewindspersoon kunnen aanspreken op en bevragen over onderwerpen die tot diens competentie behoren. Daarbij is niet van belang of de minister persoonlijk van al die onderwerpen weet heeft of daarbij persoonlijk betrokken was. Hij is de aanspreekbare, ook voor ambtelijk handelen of nalaten en ook voor dat van zijn voorgangers.

Er is de laatste jaren wel gefilosofeerd of die algemene en alomvattende verantwoordingsplicht niet wat minder kon. Daarbij werd gewezen op de `vergruizing' van politieke verantwoordelijkheid. De groei van het ambtelijk apparaat en die van allerlei uitvoerings- en handhavingsdiensten werd hier als complicerend gezien. De regering heeft die suggesties tot inperking van de ministeriële verantwoordelijkheid eenduidig van de hand gewezen. De onverkorte handhaving van de reikwijdte van de ministeriële verantwoordelijkheid staat dus als een paal boven water, zoals ook de minister-president in de zomer van 1999 in antwoord op Kamervragen liet weten. Daarmee is het parlement, zoals bij diverse gelegenheden bleek, het geheel eens.

Een minister kan op alles wat op zijn ambtsterrein ligt worden aangesproken en hij moet daarover alle gevraagde inlichtingen verschaffen. Daar hoort natuurlijk bij dat hij toelicht, motiveert, verklaart en verdedigt, al naar gelang het onderwerp waarover het parlement hem aanspreekt. Dit alles kan men de eerste fase van de ministeriële verantwoording noemen. Daarna volgt veelal een gedachtewisseling met de Kamer, die het vervolgens uiteraard volledig vrijstaat om daaraan conclusies te verbinden.

Deze conclusies kunnen betrekking hebben op de inhoud van het besprokene. Ze kunnen ook betrekking hebben op het vertrouwen in een bewindspersoon of kabinet. Dat laatste valt onder de zogenoemde vertrouwensregel: als het vertrouwen in een bewindspersoon of een kabinet wegvalt leidt dit tot aftreden of nieuwe verkiezingen.

In de Kamerdebatten heb ik in dit verband onderstreept dat het afleggen van verantwoording een essentieel onderdeel is van onze democratie. Weglopen voor die verantwoordingsplicht doet tekort aan de noodzaak om publiek te bespreken wat goed is gegaan en wat niet. Alleen door verantwoorden kan de publieke zaak zorgvuldig besproken en geanalyseerd worden en alleen daardoor kan een democratie moeilijke afwegingen maken en lering trekken over de afloop.

Uiteraard staat het ook aan een bewindspersoon vrij om na zijn verantwoording aan de Kamer zijn eigen conclusies te trekken. Maar op basis van een eigen inschatting een moeilijk debat ontwijken door van tevoren af te treden, doet geen recht aan het publieke ambt, hoe begrijpelijk het om menselijke of politieke redenen ook kan zijn.

Nog een enkel woord over de vertrouwensregel. Bij de toepassing daarvan moeten uiteraard ook vaak moeilijke afwegingen worden gemaakt. Algemeen wordt onderkend dat deze toepassing niet van zin ontbloot mag zijn.

Heeft het bijvoorbeeld zin een minister tot aftreden te dwingen omdat onder een ambtsvoorganger, wellicht zelfs van een andere politieke kleur, iets ernstig fout is gegaan, wat eerst na diens aftreden aan het daglicht kwam? Waar het steeds op aankomt is of een bewindspersoon het gezag heeft om gemaakte fouten te herstellen en ervoor te zorgen dat ze niet meer voorkomen.

Het democratisch proces is geen vrijplaats voor willekeur, maar een kostbare verworvenheid van onze beschaving voor zingeving bij de beoordeling van de publieke zaak, hoe pijnlijk dat soms ook kan zijn.

Mr. K. de Vries is minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.