`Meer korte opleidingen nodig in hoger onderwijs'

In buurlanden heeft een derde van de jongeren een hogere opleiding, in Nederland is dat maar een kwart, zo blijkt uit het recente OESO-rapport.

Er wordt in Nederland veel te weinig gedaan aan korte hogere opleidingen van bijvoorbeeld 2 jaar. Dit schrijft minister Hermans (Onderwijs) aan de Tweede Kamer, in een reactie op opmerkelijke cijfers uit een onderwijsrapport van de OESO (Education at a glance), dat gisteren verscheen.

Uit dat rapport blijkt dat in het jaar 1999 in Nederland 25 procent van de 25 tot 35-jarigen een tertiaire opleiding (hbo of universiteit) heeft voltooid. Dat is een relatief mooie score. Het percentage hoogopgeleiden onder ouderen is lager (17 procent onder 55 tot 64-jarigen, 21 procent onder de 45- tot 55 jarigen). Mede dankzij de expansie van hbo in de afgelopen twintig jaar haalt Nederland langzaam zijn traditionele achterstand in op het gebied van hoger onderwijs (dat hier relatief lang het karakter van elite-opleiding behield).

Een domper is echter de vergelijking met andere landen: Frankrijk scoort in hoger onderwijsdiploma's onder 25- tot 35-jarigen maar liefst 31 procent, België zelfs 34 procent. Het gemiddelde van de OESO, waarbij ook economisch minder ontwikkelde landen als Turkije, Griekenland en Portugal meetellen, is 25 procent.

De hogere scores van andere landen zit `m echter in de korte hogere beroepsgerichte opleidingen. In Nederland komen die amper voor. Dat heeft waarschijnlijk te maken met de positie van het hbo, dat sinds de jaren tachtig streeft naar gelijkwaardigheid met het universitaire onderwijs en dus naar langere, hoogwaardige opleidingen. Om het hbo op afstand te houden, boden ook universiteiten geen kortere opleidingen aan.In België en Frankrijk is ruim de helft van het aantal hoger gediplomeerden afkomstig van kortere opleidingen. Van de 34 procent hoger opgeleiden in de Belgische leeftijdsgroep van 25- tot 35-jarigen heeft maar liefst 18 procentpunt een diploma van een praktische gerichte opleiding die minimaal twee jaar mag duren. De andere zestien procent heeft een opleiding van minimaal drie jaar. Deze langere opleiding moet `wetenschappelijk-onderzoekselementen' bevatten (`advanced research credentials' in het OESO-jargon) en het recht op toegang tot een onderzoekersopleiding. In Nederland valt het hbo onder deze geavanceerdere hoger-onderwijscategorie. Slechts 2 procentpunt van de 25 procent hoger opgeleiden onder 25- tot 35-jarigen valt in Nederland onder de korte opleidingscategorie zoals de verkorte verpleegopleiding. Met 23 procent lange hogere opleidingen staat Nederland juist aan de top (samen met Korea, Japan en Canada).

Oppervlakkig gezien zijn de jongeren in veel van de buurlanden dus hoger opgeleid, maar bij nauwkeurige beschouwing kan men zich afvragen wat als hoger opgeleid mag gelden: veel langer opgeleiden en weinig kort, of heel veel kort opgeleiden en relatief weinig langer opgeleiden. Minister Hermans wil allebei. ,,Blijkbaar benutten we ons potentieel voor kortere opleidingen in het tertiair onderwijs niet optimaal'', schreef hij gisteren naar de Kamer. Deze OESO-cijfers passen goed in Hermans' pleidooi voor meer flexibiliteit en marktgerichtheid in het Nederlandse hoger onderwijs.

Een vast thema van de OESO-raportages is het relatief geringe bedrag dat in Nederland aan onderwijs wordt uitgegeven: in 1998 was dat 4,6 procent van het Bruto Nationaal Product. Het EU-gemiddelde is 5,4 procent, België geeft 4,7 procent uit, Denemarken maar liefst 7,2 procent. Toch heeft minister Hermans op dit gebied nog een klein lichtpuntje voor het (vorige) Paarse kabinet gevonden: tussen 1995 en 1998 zijn in Nederland de uitgaven voor onderwijs relatief sterk gestegen: negen procent, meer dan in de meeste buurlanden. Door de sterke stijging van het bruto nationaal product wordt de Nederlandse achterstand op het europese gemiddelde echter niet ingelopen. In 1990 werd in Nederland nog 4,8 procent van het bruto nationaal product (BNP) aan onderwijs uitgegeven, in 1995 4,7 procent. In veel andere landen steeg het percentage van het BNP dat aan onderwijs wordt uitgegeven trouwens wèl tussen 1995 en 1998: de VS, Zweden, Portugal, Italië, Denemarken.

Andere problemen van het Nederlands onderwijs zijn duidelijk zichtbaar in de internationale vergelijking. De vergrijzing van het Nederlandse docentencorps is groot. 65 procent van de basisschoolleraren en 74 procent van de docenten in het middelbaar onderwijs is ouder dan veertig jaar. Het OESO-gemiddelde is respectievelijk 59 en 65 procent. Duitsland en Zweden hebben een vergelijkbare vergrijzing. In Vlaanderen daarentegen is meer dan de helft van de basisschoolleraren jonger dan veertig jaar.