Lezen

Onlangs zat ik in de trein tegenover een vreeswekkend dikke man, die mij argwanend had bekeken toen ik plaatsnam. Moet dat nou, dacht hij nog net niet hardop, want het ging ten koste van zijn beenruimte. Hij had worstvormige beentjes die bewegingsvrijheid nodig hadden.

Zo te zien geen aangenaam mens, maar hij pakte bruusk NRC Handelsblad uit zijn leren koffertje en dat veranderde de zaak. Misschien had hij ook goede kanten.

Hij had iets woedends in de verbetenheid waarmee hij zijn ogen over de pagina's liet dolen. Het leven had hem al genoeg tegengewerkt, het werd tijd dat het hem met rust liet.

Wie schrijft wil gelezen worden, en daarom gaat er een wekkertje in me af zodra iemand mijn krant ter hand neemt. Zal deze persoon ook de rubriek `Dag' in zijn leesroute opnemen? Dat is de vraag. Vergeef me de ijdelheid, maar een banketbakker zal toch ook op een verjaardag in de gaten houden (`monitoren', heet dat nu) of en hoe zijn taartjes worden gegeten? U merkt het, ik schaam me voor mezelf.

Goed, wat deed dus deze dikke man? Bladerde hij koortsachtig, als een verslaafde, door naar de achterpagina? Of draaide hij met één machtige beweging van zijn armen de hele krant meteen om? Dat zou nog mooier zijn.

Nee, door mijn oogharen zag ik hoe hij zich begroef in de binnenlandpagina's. Sport en financiën werden ook grondig afgegraasd. Dit was iemand die een aanloop nodig had, troostte ik mezelf. Hij bleef akelig lang hangen op de mediapagina. Toen hij echt alles gehad had, kwam hij – de naam zegt het al – bij de achterpagina uit. Hij tikte er even op, zoals je een matje uitklopt.

Toen begon hij het kleine stukje ónder `Dag' te lezen. Een royale glimlach plooide zich om zijn lippen – ik wist wel dat hij goede kanten had. Tegelijkertijd voelde ik de ergernis aan mijn haarwortels jeuken. Besefte hij dan niet dat ik me gisteren ook voor hém had zitten uitsloven? Dacht hij soms dat ik die stukjes uit mijn duim zoog?

Eindelijk begon hij aan het hoekje rechtsboven, mijn hoekje, alsof hij geen andere kant meer op kon. Hij vertrok voorlopig geen spier van zijn gezicht, maar ik wist dat het beste gedeelte nog moest komen.

Opeens begon hij te hoesten. Het was geen lachhoest, maar een kriebelhoest die zijn eigen dynamiek kreeg en al het vastgekoekte slijm van vele maanden door de menselijke schoorsteen naarboven joeg.

Hij dreigde erin te stikken. Op sommige momenten zat hij bijna te kokhalzen boven mijn tekst. Gelukkig kwam toen net de railtender langs. De dikke man wees op de thee en de gevulde koeken, terwijl hij de krant verfrommeld in het bagagerek mikte.

Even later zat hij, tot bedaren gekomen, tevreden te kauwen. Je zag dat hij genoot van iets wat pas werkelijk in zijn behoefte voorzag. Af en toe blies hij met een kort nahoestje wat kruimels in de omslag van mijn broek.