Koude reis naar stoffig dorp

Timboektoe. Drie lettergrepen die synoniem zijn voor `het einde van de wereld'. De naam klinkt zo exotisch dat het zelfs te betwijfelen valt of de plaats wel echt bestaat. Timboektoe, hoofdstad van Verweggistan. Maar wie de kaart van West-Afrika erbij pakt, kan met zijn eigen ogen zien dat Timboektoe wel degelijk bestaat. Midden in Mali, net ten noorden van de grote bocht in de rivier de Niger, aan de rand van de enorme gele vlek die de Sahara voorstelt.

Timboektoe is een naam om je als reiziger in vast te bijten. Al vanaf het einde van de achttiende eeuw trokken Europeanen het Afrikaanse binnenland in op zoek naar de legendarische hoofdstad van het Songhai-rijk. De Schotste Robert Laing had in 1826 de primeur, maar moest zijn nieuwsgierigheid met zijn leven bekopen. De Fransman René Caillié was twee jaar later de eerste reiziger die zijn ontdekking kon navertellen. Tegenwoordig figureert Timboektoe in alle reisgidsen. Maar dat doet niets af aan de magische klank die de naam nog steeds heeft. Ook wij moeten en zullen naar Timboektoe.

Laing deed er 175 jaar geleden maanden over om bij `De poort van de Sahara' te komen. Anno 2001 valt het nog steeds niet mee om Timboektoe te bereiken. Air Mali beweert op Timboektoe te vliegen, maar aangezien de nationale vliegmaatschappij zijn bijnaam Air Maybe meer dan waard is, valt deze optie eigenlijk meteen af. Het meest gangbare transportmiddel is de raderboot die iedere twee weken tussen Mopti en Gao heen en weer pendelt. Bij onze aankomst in de haven van Mopti blijkt de beoogde boot echter al drie dagen onderweg. De schouderophalende beambte van de Compagnie Malienne de Navigation wijst ons er fijntjes op dat dit de laatste boot voor de aanvang van het droge seizoen was. Vastbesloten ons niet door de eerste beste tegenslag te laten tegenhouden, nemen we de bus naar Gao om daar de boot te onderscheppen voordat hij omdraait. Maar aan de horizon van een slapeloze nacht in gezelschap van pindapellende en hard boerende nomaden wacht weer een teleurstelling. De lijnboot heeft net zes uur geleden de trossen losgegooid.

Een volgend plan is het meeliften op een lokale pinasse een uit de kluiten gewassen prauw van het type waarmee al negen eeuwen lang het zout uit de woestijn rondom Timboektoe naar de rest van West-Afrika wordt vervoerd. Na anderhalve dag vruchteloos wachten tussen een legertje marktvrouwen, die in sommige gevallen al drie dagen in de brandende zon hun plekje op de rijstzakken bezet houden, staan we open voor iedere suggestie. Een lokale ritselaar weet wel iemand met een jeep.

De jeep blijkt een pick-up truck waar we boven op de bagage in de laadbak mogen meerijden, de chauffeur een maniakaal coureur met Paris-Dakar-ambities. Met niet minder dan 100 kilometer per uur jakkert hij door de nachtelijke woestijn, links en rechts konijnen plettend, slechts af en toe een noodstop makend voor een plotseling opduikende greppel. Ondertussen rookt hij de ene Marlboro na de andere en jankt de melancholische woestijnblues non-stop op oorlogssterkte uit zijn cassettedeck. Hij is wel zo voorkomend te toeteren als hij op het punt staat rakelings langs een prikkelstruik te razen zodat wij snel onze benen binnenboord kunnen trekken. De acht man waarmee we de laadbak delen Algerijnse dadelsmokkelaars en forenzende Toearegs – lijkt het weinig te deren. Alleen als een van hen slapend van de truck dreigt te vallen doorbreken ze hun zwijgzaamheid voor een bulderende lach.

Gezandstraald, verkleumd tot op het bot en niet een beetje wagenziek arriveren we bij zonsopgang in Timboektoe. Onze chauffeur dropt ons in een buitenwijk en wijst vaag richting centrum. Nog geen twee tellen later zijn we omsingeld door een dozijn jongetjes in soepjurken. ,,Welkom in Timboektoe. Nu wilt u kameel rijden, toch?'' Die vraag blijven ze hardnekkig herhalen tot aan de deur van het non-descripte hotel dat we uiteindelijk binnenglippen.

Als we na een douche en een dutje klaar zijn om de stad te verkennen, staan onze zelfbenoemde gidsjes al gereed. Ze sjokken trouw achter ons aan door de brede zandstraten en registreren onze gezichtsuitdrukking die langzaam verandert van verbazing tot berusting. Is dit nou Timboektoe, dit stoffige dorp?

Hebben we hiervoor geleden? Niets doet nog denken aan de middeleeuwse hoogtijdagen toen de stad het belangrijkste handelscentrum van het continent was. Op de Grand Marché worden nog net als toen grofkorrelige zoutstaven verkocht, maar `grand' is de uit een handvol kramen bestaande markt alleen nog in naam. Het winkelaanbod bestaat verder voornamelijk uit gedroogde dadels en keiharde legerkoeken. In indigo gewaden gehulde Toearegs crossen rond in patserige terreinwagens of proberen kitscherige kromzwaarden te slijten aan toeristen.

Aan de lemen Djinguereber-moskee, die geldt als de oudste van heel West-Afrika, valt ondanks de recente restauratie weinig te beleven. Aan de strenge gevel en het kale interieur, dat door de gids bij iedere bocht als `très intéressant' wordt omschreven, is niet af te zien dat ze in 1327 gebouwd is door heerser Mansa Musa, die toentertijd gold als een van de rijkste mannen ter wereld. Alleen al de hoeveelheid goud die hij tijdens zijn pelgrimage naar Mekka onderweg uitgaf was zo groot dat het de wereldgoudmarkt voor decennia ontwrichtte.

Ook de Sankoré-moskee aan de andere kant van het centrum geeft weinig prijs van zijn roemruchte verleden als hét middeleeuwse centrum van islamitische wetenschap. De piramidevormige minaret vertoont scheuren en brokkelt zichtbaar af. Een deel van de universiteitsbibliotheek, die volgens overlevering duizenden geschriften groot was en qua belang kon wedijveren met de legendarische bibliotheek van Alexandrië, wordt nu bewaard in het Centre des recherches historiques Ahmed Baba. Bij aankomst blijkt de deur echter potdicht, de beheerder is spoorloos.

Dan maar naar de tuinen van Timboektoe. Volgens onze reisgids liggen deze kleine stadsoases rondom de diepe putten naast het populaire Hôtel Bouctou. Maar de tuinen zijn inmiddels ten prooi gevallen aan de oprukkende woestijn. Buurtbewoners weten ons te vertellen dat er al sinds het einde van de jaren tachtig geen water meer in de putten staat. Beteuterd staan we te kijken naar de ezels die op de zandvlakte geparkeerd staan. ,,Dat zijn dus geen kamelen'', benadrukt een van onze jonge begeleiders voor de duidelijkheid.

Murw gebeukt door de nu al twee volle dagen durende kamelen-lithanie geven we toe: we laten ons een tochtje per `woestijnschip' aansmeren. We deinen over de zandduinen, drinken mierzoete thee bij een bedoeïenenfamilie en slapen buiten, door onze kamelendrijver steevast eufemistisch aangeduid als `l'hôtel aux belles étoiles'. In de verte zijn de lichtjes van Timboektoe te zien. De kolossale zwarte watertoren steekt overal bovenuit. Het lijkt alsof de raadselachtige monoliet uit Stanley Kubricks film Space Odyssee 2001 midden in de Sahara is geland. Zo lang de nacht duurt is de mysterieuze aura van Timboektoe hersteld.

Naar Timboektoe: per vliegtuig naar Bamako en per bus naar Mopti, waar tijdens het natte seizoen iedere twee weken raderboten van de CMN vertrekken naar Kabara, de haven van Timboektoe.' Alternatieve reisroutes zijn mogelijk, maar vereisen improvisatievermogen.