Fusie toezicht lijkt kwestie van tijd

Toezichthouders in de financiële sector zweren bij hun onafhankelijkheid. Het ministerie van Financiën onderzoekt of die situatie nog wel realistisch is. Het toezicht moet slagvaardiger worden. Kan Nederland wat leren van Australië?

Zijn de malversaties bij verzekeraar Vie d'Or exemplarisch voor het Nederlandse toezicht? De rechtbank in Den Haag heeft gisteren vastgesteld dat de accountants van de levensverzekeraar onrechtmatig hebben gehandeld. Het oordeel komt acht jaar na het faillissement van Vie d'Or. In 1998 stelde de Ondernemingskamer van het Amsterdamse gerechtshof al vast dat directie en commissarissen van de verzekeraar wanbeleid hebben gepleegd. Volgens de Haagse rechtbank treft de Pensioen- en Verzekeringskamer geen blaam.

In Australië zou een Vie d'Or-achtige affaire niet zo snel voorkomen, stellen critici. Dat land kent een toezichthouder met een puur bedrijfseconomische aanpak, waarbij geen onderscheid tussen de verschillende branches wordt gemaakt. De financiële soliditeit van banken, verzekeraars en effecteninstellingen wordt er voortdurend gescreend door de Australian Prudential Regulatory Authority.

In Nederland is die taak toebedeeld aan drie organisaties, De Nederlandsche Bank (voor de banken), de Pensioen- en Verzekeringskamer (verzekeraars) en de Stichting Toezicht Effectenverkeer (effecteninstellingen). En die willen dat liever zo houden.

Het ministerie van Financiën mogelijk niet. Plaatsvervangend thesaurier-generaal van Financiën, Jeroen Kremers, is op dit moment op bezoek bij de Australische toezichthouder om uit te zoeken of dat model hier zou kunnen werken. Het land heeft daarnaast een aparte toezichthouder die zich puur richt op zaken als bescherming van beleggers en integriteit van de financiële sector.

In Nederland zou de STE graag de actieve controle van gerapporteerde bedrijfswinsten op zich nemen. Het kabinet deelt die mening, maar denkt inmiddels ook een stap verder en houdt de opties open.

Financiën lijkt er van overtuigd dat de krachten, op wat voor wijze dan ook, moeten worden gebundeld van de drie toezichthouders die Nederland kent. Op die manier kan er slagvaardiger toezicht worden gehouden op een branche die razendsnel op Europees niveau integreert. Grens- en brancheoverschrijdende fusies in de financiële sector komen steeds vaker voor. Effectentransacties zijn niet meer gebonden aan lokale marktplaatsen. De beurzen van Parijs, Brussel en Amsterdam zijn al gefuseerd, de beurs van Lissabon sluit zich hier bij aan. Zalm kan deze ontwikkeling niet negeren.

Mocht Zalm besluiten dat er een supertoezichthouder moet komen, dan volgt hij daarmee de praktijk in het Verenigd Koninkrijk. Daar bestaat al langer een krachtenbundeling in het toezicht. Eerder dit jaar kondigde Zalms collega Eichel uit Duitsland een vergelijkbare stap aan. De voorheen zo oppermachtige Bundesbank moet straks zijn 600 medewerkers van de toezichtsafdeling afstaan aan een nieuw op te richten waakhond. Eichel zei het voorbeeld te willen volgen van landen als Groot-Brittannië, Japan en Zweden, waar de toezichthouders op integriteit en gezonde concurrentieverhoudingen al eerder waren gefuseerd.

Nu in Europa al volop wordt nagedacht over de bundeling van het toezicht op de financiële sector, wordt de vraag steeds actueler of de Nederlandse situatie nog efficiënt is. Nederland kent heeft bijvoorbeeld een aantal bankverzekeraars die ook actief zijn op de effectenbeurzen. Zij moeten steeds weer zakendoen met drie verschillende toezichthouders.