Fiscale maatregel voor filmindustrie is geld stoppen in bodemloze put

Ook de komende jaren zal de Nederlandse filmindustrie door middel van een aantrekkelijke fiscale constructie voor investeerders worden gestimuleerd. Maar volgens Hans Beerekamp kan met een rechtstreekse subsidie aan het Filmfonds de Nederlandse film doelmatiger en goedkoper worden gesteund.

Vandaag gaat De vriendschap in première, de twaalfde Nederlandse speelfilm die profiteerde van de door zogeheten commanditaire vennootschappen (CV's) geboden belastingfaciliteiten voor investeerders in de vaderlandse filmindustrie. De voorgaande elf verkochten naar schatting in totaal een half miljoen bioscoopkaartjes. De helft daarvan werd binnengehaald door twee titels, Ik ook van jou en Lek. Ter vergelijking: in het afgelopen jaar werden er ruim twintig miljoen bezoekers geteld voor Nederlandse en buitenlandse films tezamen. Volgens een rapport ter evaluatie van de `structuurversterkende maatregelen filmindustrie', dat de bewindslieden Jorritsma (Economische Zaken), Bos (Financiën) en Van der Ploeg (Cultuur) deze week naar de Tweede Kamer zonden, heeft de fiscus tot nu toe tegen de 200 miljoen gulden aan inkomsten gederfd door de CV-maatregel. Geen wonder dus dat investeerders en producenten enthousiast reageerden op het voornemen van het kabinet om de fiscale maatregel te continueren, ook al zal er volgens nader te bepalen criteria strenger gelet worden op de commerciële kansen van de aangemelde projecten.

Tot nu toe, zo blijkt uit het onderzoeksrapport, maakte het namelijk nauwelijks verschil (`hooguit enkele tienden van procenten rendement') wat de opbrengst was van een CV-film. Door listige hefboomconstructies konden de financiële instellingen die de CV's arrangeerden hun investeerders altijd rendement garanderen, ongeacht het resultaat in de bioscoop, videotheek of de buitenlandse verkoop. Zo belooft bijvoorbeeld Arteco Filmfinancing BV de deelnemers in de CV Babs een rendementsprognose in 2001 van 15 procent. De film Babs met Brigitte Kaandorp (budget: 4 miljoen gulden) trok bijna 19.000 bezoekers en beschikt nauwelijks over perspectieven in de buitenlandse verkoop.

Vraag niet hoe het kan, maar profiteer ervan! Eerder dan een versterking van de Nederlandse filmindustrie is het nettoresultaat van de CV-maatregel tot nu toe het spekken van de leveranciers van durfkapitaal. Het afgelopen jaar was er uiteraard ook een hausse in de filmproductie. Medio 2000 was er in Nederland geen cameraman, geluidstechnicus of kabelsjouwer meer te vinden, die geen werk had, en de honoraria stegen – tijdelijk – navenant. Begin van dit jaar zakte de bedrijvigheid weer ernstig in, door de onzekerheid over de continuïteit van de maatregel, en de tarieven daalden mee. Van een blijvende versterking van de filmindustrie was dus nauwelijks sprake.

De onderzoekers constateren wel dat het gemiddelde budget van een Nederlandse speelfilm enorm is gestegen. Beneden de 2,5 miljoen gulden wordt er bijna niets meer gemaakt, de meeste producties kosten meer dan vijf miljoen, en enkele (Down van Dick Maas en The Discovery of Heaven van Jeroen Krabbé) zelfs over de twintig miljoen gulden. Maar van een stijging aan de afnemerskant valt vooralsnog weinig te bespeuren.

Een nadelig effect van de CV-maatregel is de plotselinge aantrekkelijkheid van de filmindustrie voor gelukszoekers uit binnen- en buitenland. Over de problemen rond de internationale producties van de CV's Ocean Warrior en van Leon de Winters maatschappij Pleswin is veel geschreven, maar er zijn veel meer dubieuze gevallen. Van de veertig tot nu toe gestarte CV-films zouden er slechts 27 een overwegend Nederlands karakter hebben. En Fine BV, de door Economische Zaken met een startkapitaal van 12,5 miljoen gulden gedoteerde officiële investeringsfaciliteit kon tot nu nu toe slechts 1,5 miljoen uitgeven aan drie films. De reden is simpel: Fine stelde wel commerciële eisen aan projecten en werd al snel overvleugeld door de vrije jongens van andere financiële instellingen.

Voor de Nederlandse filmcultuur heeft de CV-maatregel een paar aardige dingen opgeleverd. Artistiek waardevolle films als Lek, Wilde mossels en Magonia zouden nooit op dezelfde volwassen manier gemaakt kunnen zijn zonder dat extra geld uit de markt. Toch zouden Kamerleden zich nog eens achter de oren moeten krabben over de vraag of het zin heeft op deze voet door te gaan. Er moet meer geld komen voor Nederlandse films om een kans te maken bij het publiek. Maar niemand kan voorspellen of een filmproject commercieel succesvol zal zijn. Een bedrag van 200 miljoen gulden schenken aan investeerders om zo een vergelijkbaar bedrag in een bedrijfstak te pompen lijkt een ingewikkelde omweg, gevoed door RSV-achtige dromen over een gezonde filmindustrie.

Het is veel simpeler om gewoon meer overheidsgeld te spenderen aan het Nederlands Fonds voor de Film, waar een intendant naar de commerciële mogelijkheden van projecten kijkt en commissies van deskundigen culturele afwegingen hanteren. Met vijftig miljoen zou het Fonds, dat nu zo'n vijftien miljoen gulden per jaar verdeelt, al heel blij zijn. Ook daar moet nog veel gebeuren op het punt van deskundigheid en doelmatigheid, en democratische controle op de gang van zaken, maar je kunt de miljoenen toch beter geven aan een instelling met een beproefd instrumentarium, dan sinterklaas spelen voor de cowboys van het durfkapitaal. Want ook zij zullen, zonder een navenante creatieve explosie, nooit in staat zijn om in Nederland een filmindustrie tot stand te brengen die de concurrentie met Hollywood succesvol weerstaat. Zonder versterking, materieel en organisatorisch, van het Filmfonds, en vooral, een betere controle op de aanwending van publieke middelen en fiscale voordelen, drijft het filmbeleid van de overheid vervaarlijk in de richting van het storten in een bodemloze put.

Hans Beerekamp is filmredacteur van NRC Handelsblad.