Een verschrikkelijke, heerlijke vakantie

Indiase rijken zoeken verre oorden op voor vakantie, de armen gaan terug naar hun dorp. De middenklasse is op Mussoorie aangewezen, Queen of the Hills. Maar de klant is er geen koning.

Er zijn een of twee goede redenen om naar Mussoorie te komen. Door de hoogte van 2.000 meter is het er zonnig en koel. Vergelijk dat eens met New Delhi, waar de hitte van 44 graden niet is te harden en de vochtigheid alles hult in een vuile vaatdoek. Daarom raakt de Indiase hoofdstad in de zomer verlaten. De wegen zijn leeg, de kantoren zijn nauwelijks bemand en niemand is te bereiken.

De rijken gaan naar verre oorden: naar de Thaise stranden of gewoon naar Londen. De armsten gaan terug naar hun dorpen, ver weg in Madhya Pradesh, op drie dagen reizen, of dichter in de buurt in de omliggende deelstaten.

Maar wat moeten de mensen die zich rekenen tot de middenklasse? Ze wonen al te lang in de stad om nog een band te hebben met hun dorp en het geld ontbreekt voor een vliegreis. Ze hebben alleen die kleine Suzuki-alto of de scooter voor de deur. Maar ze hebben ook het idee dat vakantie hoort bij hun levensstijl. Dat peperen kranten en tv hun wel in: als je op de advertenties afgaat, is het bijna een schande als je je kinderen die paar dagen van gezelligheid en plezier niet gunt.

Mussoorie is een oplossing. De plaats wordt aangeduid als Queen of the Hills, wat juist moet zijn geweest, in 1820. Een generaal van Ierse afkomst ontdekte het dorp in de uitlopers van de Himalaya en hij ontdekte ook dat de dorpelingen enorme lasten konden dragen, in letterlijke zin. Met een touw om het voorhoofd kunnen ze gewichten van meer dan vijftig kilo de berg op tillen. Zolang ze doorlopen ziet het er gemakkelijk uit, pas als ze moeten stilstaan zie je hoe hun hoofd trilt, van de spanning in de nekspieren.

Ze droegen voor de Ierse generaal enorme hoeveelheden bakstenen en marmerenplaten naar boven, waar de man een paleis van optrok. Daarna volgden Schotse officieren, voor wie de bergen een herinnering aan het thuisland waren, en ze bouwden bungalows met namen als Scottsburn, Kenilworth en Abbotsford.

Na de onafhankelijkheid in 1947 raakte Mussoorie in verval. Enkele van de statige huizen werden door Indiase notabelen overgenomen, maar de meesten werden rustplaatsen voor vleermuizen en berggeiten. De dorpelingen weigerden in de parmantige bouwsels een goed heenkomen te zoeken in de winter, als er een pak sneeuw van anderhalve meter ligt, uit angst voor blanke spoken die waren achtergebleven.

Maar toen ontstond in India, in het begin van de jaren negentig, een middenklasse die behalve een auto, een tv-toestel en een ijskast ook een vakantiebestemming wilde. Mussoorie was bereikbaar, het plaatsje ligt op 250 kilometer van Delhi, zo'n zeven uur rijden over slechte wegen.

En daar komen ze: een lange rij Suzuki-alto's, met soms acht man aan boord en een imperiaal op het dak vol grote koffers. De jongere gezinnen komen per scooter, met twee kleintjes tussen vader en moeder ingeklemd en verliefde paren nemen de bus. Ze rijden de kronkelende wegen op met een haast die aan doodsdrift grenst. De auto's die in de ravijnen zijn gestort worden niet eens meer opgetakeld. Ze raken overwoekerd door struiken en pijnbomen, en niemand die er een les uit leert.

In Mussoorie zelf ontstaat hysterie en paniek over het onderkomen. Logeermogelijkheden zijn er volop; men zegt dat als je in de enige brede straat die het plaatsje rijk is langer dan tien minuten op één plek staat, iemand een hotel op je hoofd bouwt. Bij elke deur staat een jongen slaapplaatsen te verkopen, met en zonder ontbijt en eventueel parkeerplaats voor de Suzuki-alto, met extra korting voor de last minute booking. Maar ook dat is de meeste Delhi-bewoners te duur. Ze onderhandelen en dingen af tot er een akkoord wordt bereikt, of besloten wordt de nacht door te brengen in de Alto.

Dan volgt de maaltijd. De hotels in Mussoorie hebben met elkaar afgesproken hun keukens niet open te stellen voor mensen die er niet logeren. Gewone restaurants zijn er nauwelijks, de gaarkeukens niet meegerekend, met als gevolg dat zo'n redelijk goed verdienende familie uit Delhi, die Mussoorie koos als plaats voor rust en vermaak, in een armetierig hotelkamertje maaltijden op het bed zit te nuttigen waar ze in hun woonplaats de kok voor zouden ontslaan.

In Mussoorie komt de middenklasse van Delhi zichzelf tegen. Thuis hebben ze televisie en een Europees toilet, hier moeten ze het doen met een gat in de vloer. Thuis zijn er bedienden op wie je kunt foeteren, hier blijft het hotelpersoneel stoïcijns voor zich uitstaren omdat de klant hier veel is, maar geen koning.

De woede is in Mussoorie dan ook voelbaar. De enkele wegen rond de bergtop waren ooit aangelegd voor paarden en muilezels. Nu is er tweerichtingsverkeer voor auto's en is inhalen en lukraak parkeren niet verboden. Regelmatig gaan automobilisten met elkaar op de vuist, omdat de ene niet achteruit wil en de ander niet opzij.

Maar 's avonds, als de overspannen huisvaders in slaap zijn gedommeld en de kinderen in de hotelkamer spelletjes spelen, lopen de verliefde paren over de verlaten paadjes onder twinkelende sterren en een schitterende maan, en wolken die zo nu en dan op ooghoogte hangen. De dorpelingen die geen koffers meer hoeven te dragen zitten bij een knapperend vuurtje te kaarten. Krekels en padden doorbreken de diepe stilte. Er zijn, zoals gezegd, een paar redenen om naar Mussoorie te komen.