Een feest voor impressionisten

Alles aan Bornholm is even charmant en kleurrijk. Kleine vissersdorpjes met kleurige vakwerkhuisjes, scherenkusten, akkers en bossen. En nog heerlijk rustig ook.

Wanneer ik bij Rø, op het Deense eiland Bornholm, van de fiets stap en op de kaart kijk, roept een vrouw mij vanachter een tuinhekje aan. Of ze mij kan helpen? Even later glijdt haar vinger over dorpjes en fietspaden die ze zelf nauwelijks thuis kan brengen. Ze woont hier namelijk nog maar kort. Na een jeugd in Polen woonde ze het grootste deel van haar leven in Kopenhagen. Een korte vakantie op Bornholm deed haar beseffen dat hier haar toekomst lag. Nu bezit ze een huis aan de rand van het dorp met uitzicht over glooiende akkers en de zee. Op deze heldere dag zien we zelfs Christiansø, een handvol scheren ten oosten van Bornholm, op de einder liggen.

Het eiland was voor haar een openbaring. Voor mij ook. Vanuit de lucht zag het er nog weinig spectaculair uit – smalle witte strandjes, plekken geel koolzaad, bossen in het binnenland, een veld vol turbomolens. Maar eenmaal op de begane grond drong de charme van dit afgelegen stukje Denemarken zich onweerstaanbaar aan mij op. Aan de kust ligt een snoer van kleurige vissersdorpjes, volgestouwd met wit, geel en rood gesausde vakwerkhuizen en omringd door keurig verzorgde tuintjes. Witte molens en de opvallende schoorstenen van visrokerijen completeren dit idyllische beeld. Iedereen is aan het schilderen om de snoeperige huisjes nog mooier te maken. De fruitbomen staan in bloei, zwaluwen nestelen onder de dakgoten en overal hangt de zilte geur van de zee en de lucht van brandend hout en gerookte vis. Al om tien uur 's ochtends zag ik kleine buikige Denen op het terras aanschuiven voor hun eerste glas Tuborg. Wie op Bornholm niet gelukkig kan zijn is het geluk gewoon niet waard.

In Gudhjem, een tegen de rotsen gepropt dorpje, waande ik mij haast in mediterrane streken. Het is een warreling van steile steegjes en straatjes, tuintjes en dakterrasjes. Elke schilder uit de impressionistische school zou in zijn handen wrijven als hij Gudhjem in het vizier zou krijgen. Karl Isakson, een impressionist van eigen bodem, liet deze kans dan ook niet aan zich voorbijgaan – de oranje daken, de witte molen en de blauwe lucht op zijn 'Udsigt over Gudhjem' maken hem tot een noordelijke collega van Monet en Van Gogh.

Ten zuiden van Gudhjem verdringen de huizen van Svaneke zich rondom de havenkom. Het dorp mondt in een wijde boog uit in een scherenkust waar een vuurtoren de wacht houdt. De winkels staan vol met antiek en keramiek, alsof de inwoners hun kostje met oude spullen en kunst kunnen verdienen. Maar er is ook een visrokerij, met maar liefst vijf zwart-witte schoorstenen, waar de bokking met roggebrood en een schep zout wordt geserveerd. En een brouwerij waar men na de hartige maaltijd de dorst met een lokaal biertje kan lessen. Niet ver ervandaan staat het mooiste kerkje van Bornholm, een bedenksel uit Legoland – een vierkante, oudroze geschilderde toren, met zwart vakwerk in de bovenbouw en een eveneens zwarte puntmuts, vastgeplakt aan een godshuis met een oranje pannendak.

Op het fotogenieke Bornholm ga je automatisch op zoek naar de mooiste plaatjes. Al die felle kleuren schreeuwen om aandacht. Maar helaas, de ideale compositie is moeilijk te vinden. Want aan de rand van het knalgele koolzaadveld, dat een bittere honinggeur verspreidt, ontbreekt nu net het silhouet van een witte molen of het zwart-wit van een ouderwetse boerderij. En het is natuurlijk jammer dat het Legolandkerkje door echte graven wordt omringd.

De Poolse is een `strijkster', te oordelen naar de handgebaren waarmee ze haar bezigheden tracht uit te beelden. Niet de plaatselijke boeren, maar de import uit Kopenhagen komt naar haar praktijk. Dankzij de nieuwe brug van het Zweedse Malmö naar Kopenhagen en de snelle veerboot van Bornholm naar Zweden, is Kopenhagen opeens een stuk dichterbij gekomen. Bornholm is voor haar een tweede Stonehenge, rijk aan betekenisvolle prehistorische resten. Ze heeft het over de graal van de kruisridders, die zich hier ooit verzamelden, en over de krachtlijnen tussen de beroemde ronde kerken. Daar zijn er nog vier van, de vijfde staat op Christianso. Ze stammen uit verre tijden toen de bevolking belaagd werd door Baltische plunderaars. Het zijn ware vestingwerken, voorzien van smalle vluchtgangen naar hogere verdiepingen. Van de strijkster krijg ik het advies naar de kerk van osterlars te gaan, daar in de middelste holle zuil plaats te nemen, mijn ogen te sluiten en mij over te geven aan het immense krachtenveld van het pentagram. Zelf had ze er een enorme hoeveelheid energie opgedaan en onbenoembare dingen ervaren.

Natuurlijk zet ik meteen koers naar osterlars. Extra energie is altijd welkom, zeker op het heuvelige en soms steile noordelijke deel van het eiland. Voor onbenoembare dingen sluit ik mij evenmin af. Eerder al had ik de ronde kerk van Olsker bezocht. Fietsend door bossen, waar de wilde hyacint en de daslook uitbundig bloeiden, klom ik naar het plateau waar het oogverblindende wit van de kerk in de ruimte oprees. De met fresco's versierde centrale zuil was hier beslist niet hol. Aan het plafond hing een scheepje, zoals je dat vaker ziet in Deense zeemanskerken – een dankbetuiging voor een verhoord gebed.

Door de steunberen ziet de kerk van osterlars er nog gepantserder uit dan die van Olsker. Ik wacht even tot een Deense schoolklas het heiligdom verlaten heeft en wandel dan naar binnen. Kerkbanken staan in rechthoeken om de centrale zuil heen, die inderdaad hol is. Daarbinnen zijn om een granieten doopvont een paar stoelen opgesteld. `De oven', luidt de merkwaardige naam van deze plek. Ik ga zitten, sluit de ogen en wacht af. Wacht op de krachtsexplosies binnen het pentagram. Wacht op de esoterische hitte van de graal, op de vibraties van de lijnen die in de kerk van Christiansø samenkomen.

Er gebeurt helemaal niets.

Ik voel mij geen accu die wordt opgeladen.

Misschien heb ik de Poolse niet goed begrepen.

Maar het is er heerlijk koel en rustig, daar in het heilige hart van Bornholm.