`We wéten niet waarom criminaliteit toeneemt'

Rolf Loeber gaf vanuit Amerika leiding aan een omvangrijk onderzoek naar ernstige jeugdcriminaliteit in Nederland. Over het raadsel van de toename van criminaliteit.

Bij de presentatie van de onderzoeksbundel Ernstige en gewelddadige jeugddelinquentie, gisteren in Den Haag, sprak Rolf Loeber van ,,een paradoxale situatie'': terwijl ,,duizenden'' agenten, hulpverleners, rechters en officieren van justitie proberen de jeugdcriminaliteit in te dammen, zijn de geweldscijfers de laatste jaren alleen maar gestegen (zie kaders).

Loeber, die al dertig jaar in de Verenigde Staten woont, is professor in de psychiatrie, psychologie en epidemiologie aan de universiteit van Pittsburgh. Aan de Vrije Universiteit in Amsterdam bekleedt hij bovendien een leerstoel psychopathologie. Loeber leidde een multidisciplinaire groep van dertig vooraanstaande onderzoekers die nu voor het eerst een `stand van zaken' over ernstige en gewelddadige jeugdcriminaliteit in Nederland heeft opgemaakt. Alles wat over het onderwerp bekend is, is verzameld, en deels vergeleken met gegevens uit Amerika, waar Loeber eerder een vergelijkbaar project leidde.

Toch lukt het niet te verklaren wát nu de toename van de ernstige jeugdcriminaliteit veroorzaakt.

,,Dat klopt. Ik kan een lang en ingewikkeld antoord geven. Maar het antwoord is eigenlijk heel kort: wat de toename veroorzaakt, is ons niet bekend.''

Terwijl er zo enorm veel onderzoek naar jeugdige criminelen is gedaan.

,,Het is nog gekker: in Amerika zijn de landelijkse geweldscijfers sinds 1995 opeens aan het dalen, en ook daarvan weet niemand hoe dat komt. Er zijn wel speculaties en hypotheses, over de invloed van economische groei bijvoorbeeld. Ook wordt wel vermoed dat het dalend aantal guns dat in Amerika in omloop is, van invloed is. Maar niets is zeker.''

Loeber maakt wel een onderscheid in groepen. ,,In Pittsburgh zijn we bezig met een langdurig onderzoek, waarin we jongens vanaf hun zevende levensjaar blijven volgen. Over hén kunnen we te weten komen wat crimineel gedrag veroorzaakt. Maar er zijn zoveel risicofactoren, dat het voor grote, gemengde groepen of een hele samenleving tegelijk heel moeilijk te verklaren is.''

Eén van de belangrijkste conclusies die Loeber in de Nederlandse onderzoeksbundel trekt, is dat in Nederland nauwelijks iets bekend is over de effectiviteit van de talloze manieren waarop ,,met heel veel geld'' geprobeerd wordt jeugdcriminaliteit aan te pakken. Terwijl allerlei projecten en projectjes voor jongeren worden gesubsidieerd, wordt nauwelijks geëvalueerd hoe doelmatig die initiatieven zijn. Met andere woorden: de overheid strooit niet gehinderd door enige kennis van zaken, subsidies rond en zelden wordt duidelijk of het allemaal ook hielp. Loeber vindt dát dan ook dat het eerste dat in Nederland moet veranderen: ,,Er moet veel beter, en op lange termijn geëvalueerd worden of de aanpak werkt.''

Maar is het niet belangrijker om te weten hoe crimineel gedrag wordt veroorzaakt? Dan weet je ook waaraan je geld kunt besteden.

,,Het is absoluut even belangrijk. Maar de beste evaluatie-studies laten dan ook zien dat een programma werkt omdát het iets verandert. En dat `iets', dat kan dan heel goed een oorzaak van criminaliteit zijn.''

In het rapport worden wel tal van factoren genoemd die van invloed kunnen zijn. Dat varieert: een moeilijk temperament hebben, hyperactief of van het mannelijk geslacht zijn; een rokende moeder of een depressieve moeder hebben. Grillige opvoedingsgewoontes van de ouders kunnen van invloed zijn, maar ook ouders die altijd zwaar straffen zijn een risicofactor. De risico's buiten het gezin zijn ook talrijk: geweld op televisie, wonen in een achterstandsbuurt, een slechte school, bijvoorbeeld.

In Nederland is het de laatste tijd weer de vraag of etniciteit ook een rol speelt.

,,Ah, de Marokkaanse jongens van jullie politiechef Vogelzang. Ik denk dat het averechts werkt om een groep zo te identificeren. Vergeet niet dat 40 procent van de jongens die in Nederland opgesloten zitten, nog altijd Nederlands zijn. Verhoogde criminaliteit zie je ook alleen in bepáálde minderheidsgroepen. Marokkanen horen daarbij en Antillianen ook. Maar de criminaliteitscijfers van hindoestanen bijvoorbeeld, zijn juist lager dan die van Nederlanders.

Is het dan een risicofactor, Marokkaan te zijn?

,,Nee, niet dat op zichzelf. Wel zie je dat Marokkanen vaker in sociaal-economische achterstandssituaties leven waar veel risicofactoren aanwezig zijn. Heel belangrijk is de vraag of in een wijk al normen en waarden aanwezig zijn. Zoniet, dan zal dat een slechte invloed hebben op allochtonen én autochtonen.

Als we er vanuit gaan dat alles dat in Amerika gebeurt tien jaar later in Nederland opduikt, wat kunnen we dan nog verwachten?

,,Op het gebied van jeugdcriminaliteit is dat juist heel moeilijk te zeggen. Nederlandse onderzoekers hebben bijvoorbeeld al jaren veel interesse voor jeugdbendes. Maar nooit zijn ze zo gewelddadig geworden als misschien werd verwacht op basis van de ervaringen met bendes in Amerika.

,,De ernst van gewelddadige jeugddelinquentie hangt nauw samen met de beschikbaarheid van wapens. En wat dat betreft is de situatie in Amerika natuurlijk onvergelijkbaar met die in Nederland.''

Onvergelijkbaar is ook dat het in de Verenigde Staten al wèl gebruikelijk is de effectiviteit van de aanpak van jeugdcriminaliteit te meten. Daar bleek dat de doeltreffendste programma's de recidive onder criminele jongeren met 40 procent konden terugbrengen. ,,Het is nooit te vroeg om crimineel gedrag te voorkomen en nooit te laat om te interveniëren'', zegt Loeber.

Wat kan Nederland nog van de Amerikaanse aanpak leren?

,,Tijdiger rapporteren, Nederland loopt chronisch achter in de statistiek doordat de computersystemen van de politie niet op elkaar aansluiten. Alle gegegevens zijn een paar jaar oud, daardoor kunnen we nooit direct reageren op de huidige situatie. En verder zou er hier minder verkokering en meer samenwerking moeten komen. Een ontwikkeling tot delinquent kan op heel vroge leeftijd beginnen en hier in Nederland zijn al tal van instanties voor jonge kinderen aan het werk. Maar de uitwisseling van informatie die een kind voor een criminele loopbaan zou kunnen behoeden, wisselen ze niet uit. In Nederland vindt men het nog te belangrijk zijn eigen terrein te beschermen.''