Michel Piccoli

In de reeks profielen van eigentijdse sterren deze week Michel Piccoli, de terugkerende vader in Tout va bien (on s'en va) die tijdens het afgelopen festival van Cannes net de acteursprijs misliep voor De Oliveira's Je rentre à la maison. Een eeuwige anarchist.

`Rebellie is altijd geboden', daarover waren Manoel de Oliveira (92) en zijn hoofdrolspeler Michel Piccoli (75) het roerend eens aan het slot van de persconferentie in Cannes van Je rentre à la maison (2001). Piccoli had eigenlijk de prijs voor de beste acteur moeten krijgen voor dit portret van een stervende toneelspeler, die weigert concessies te doen door goed betaalde rolletjes in een televisiefilm te accepteren. Juryvoorzitter Liv Ullman zou zich, volgens Italiaanse kranten, ook hebben ingespannen voor de bekroning van Piccoli (eerder winnaar in 1980 voor Marco Bellocchio's Salto nel vuoto), maar uiteindelijk gezwicht zijn voor een compromis: door voor Benoît Magimel te kiezen, kon haar andere favoriete film, La pianiste, drie prijzen krijgen in plaats van de Gouden Palm.

In Cannes ging ook de tweede speelfilmregie van Piccoli, La plage noire, in première, nadat hij in 1997 als 71-jarige gedebuteerd had met Alors voilà. Lang daarvoor was Piccoli (Parijs, 27 december 1925) al begonnen met het produceren van films van onbekende, jonge regisseurs. Zijn filmografie als acteur tussen 1944 (Sortilèges van Christian-Jaque) en 2000 (de verstoten vader in Tout va bien (on s'en va) van Claude Mouriéras) telt zo'n 140 titels, en daar zitten sinds 1963 (Godards Le mépris) verdraaid weinig oninteressante films tussen, ook al begon ook Piccoli met bijrollen in mindere films. Hoe moet je de hoogtepunten kiezen, uit zes films van Luis Buñuel, zeven van Marco Ferreri, vier van Claude Sautet en twee zangfilms van Jacques Demy?

Piccoli, die in 1966 trouwde met Juliette Gréco, is altijd een man geweest van de rive gauche, en specialiseerde zich in deraillerende burgermannen, zoals de als een wild beest grommende fabrieksdirecteur in Themroc (Claude Faraldo, 1972) of een van de vier zich dood vretende heren in Ferreri's La grande bouffe (1973). Maar hij is ook voortreffelijk als kunstenaar, de kuchende schilder in La belle noiseuse (Jacques Rivette, 1990) of de toneelspeler bij De Oliveira. Of zelfs als hij een film lang zijn pistool schoonmaakt, in Ferreri's Dillinger è morto (1968).

De lijst is eindeloos, van Hitchcock tot Malle, van Bava tot Melville, van Chahine tot Scola. In de jaren zeventig was Piccoli meer dan een ster, hij was de absolute koning van de Europese kunstfilm. Die is nog niet dood, zolang Piccoli de opstand blijft verkondigen.