Mankes

Twaalf jaar geleden zag ik voor het eerst een tentoonstelling van de schilder Jan Mankes (1889-1920) en sindsdien ben ik aan zijn werk verslaafd. Wilt u mij omkopen? Bied mij een Jan Mankes aan en ik zal schrijven wat u wilt. Dat is pure theorie, helaas, want u zult wel wijzer zijn: een Mankes is tegenwoordig al gauw enkele tonnen waard.

Jan Mankes is voor mij de Nescio onder de Nederlandse schilders. Nescio lezen is Mankes zien, en andersom. Hun werk ademt dezelfde sfeer van breekbaarheid en weemoed en deelt het verlangen naar harmonie met de natuur.

Zouden ze elkaars werk gekend hebben? Daar zijn geen aanwijzingen voor, hoewel van Mankes bekend is dat hij graag literatuur las (o.a. Boutens). Opvallend is wel dat ze in dezelfde periode tot artistieke bloei kwamen: Mankes schilderde van 1908 tot 1918, Nescio publiceerde Dichtertje, De uitvreter en Titaantjes in boekvorm in 1915.

In Arnhem kon ik weer eens mijn hart ophalen: daar loopt in het Historisch Museum tot 9 september een nieuwe tentoonstelling van Mankes. Niet onder ideale omstandigheden, want het gebouw is nogal donker en de bruikleengevers – die steeds zuiniger op dit snel in waarde stijgende werk worden – hebben geëist dat er niet te veel kunstlicht wordt gebruikt.

Jammer, maar er is nog genoeg te zien en te bewonderen: de kern van Mankes' werk hangt er. Mankes was een figuratief schilder met een voorkeur voor (zelf)portretten, (Friese) landschappen en stillevens (vooral vogels en muizen). Mijn favorieten zijn de portretten van zijn vader, vooral het portret uit 1914: een benig, berustend mannengezicht en profil, de kin rustend op een horizon met weiland en boerderij. Ach, denk ik als ik zo'n schilderij zie, waarom nog langer schilderijen gekocht? Het verschil met deze volmaaktheid is te groot.

Mijn bewondering voor dit werk zal zeker worden gevoed door het feit dat ik het afgebeelde landschap goed ken. Mankes woonde als jonge man – nadat hij in Meppel en Delft was opgegroeid – met zijn ouders lange tijd in De Knijpe in de Friese zuidoosthoek, vlakbij Heerenveen. Ik heb een poosje wat noordelijker gewoond, in Groningen maar op de rand van het oosten van Friesland, en ik keek vanuit mijn huis over het landschap van Mankes. Zijn schitterende `Woudsterweg bij Oranjewoud' (op de tentoonstelling abusievelijk `Langezwaagsterweg bij De Knijpe' genoemd), dat is datzelfde ijle, verdroomde landschap waar ik op namiddagen vaak doorheen ben gefietst. Mankes ontdekte ik pas jaren nadat ik weg was uit dat gebied, maar ik herkende het landschap met één oogopslag.

Terug naar Nescio. Op de Arnhemse tentoonstelling hangen flink wat citaten uit de vele brieven die Mankes heeft geschreven. Daaraan kun je zien dat Mankes ook heel aardig kon schrijven, soms zelfs met een Nesciaanse toets. In 1911 schrijft hij: ,,U weet het genie gedijt in een zolderkamer en sterft in een paleis. Al dus wat ik noodig heb is zoo'n kamertje, mits vrij goed licht.''