Kinderporno op internet moeilijk te bestraffen

De strafbepaling tegen kinderporno beoogt echte kinderen te beschermen. Minister Korthals (Justitie) wil nu ook de virtuele variant onder de wet brengen. Er zijn echter principiële obstakels op deze weg, meent F. Kuitenbrouwer.

Internet wordt door liefhebbers vaak aangeprezen als `cyberspace' – een virtuele ruimte zonder grenzen. Deze heeft een lelijke keerzijde: virtuele kinderporno. Minister Korthals (Justitie) heeft een wetsvoorstel ingediend om dat strafbaar te stellen. Het is een kleine ingreep in de strafwet, een kwestie van vier woorden. De bestaande strafbaarheid van pornografisch materiaal waarbij een jongere is betrokken wordt aangevuld met: ,,of schijnbaar is betrokken''.

Toch betekent deze kleine ingreep een ingrijpende verschuiving in onze strafwet. De grondslag van de strafbepaling tegen kinderporno is ,,de bescherming van echte kinderen tegen seksueel misbruik'', zoals Korthals het uitdrukt. Deze harde realiteit is een overtuigende reden voor een inbreuk op de vrijheid van informatie. Want, hoe kwalijk het onderwerp ook, dit grondrecht is ook bij pornografie in geding. Al was het alleen omdat zedelijkheidsnormen notoir lastig zijn te omschrijven met de precisie die de strafwet voor een veroordeling vergt.

Een extra complicatie is dat de strafwet in 1996 is uitgebreid tot het ,,in voorraad hebben'' van kinderporno. Minister Sorgdrager zei destijds dat dit niet sloeg op particulier bezit van een beperkte hoeveelheid die niet bedoeld is voor verspreiding. Maar de Hoge Raad besliste in 1998 dat dit wel degelijk onder de nieuwe strafbepaling valt. Daardoor komt ook het grondrecht van de individuele privacy (bescherming van de persoonlijke levensfeer) in geding.

Virtuele kinderporno zet deze problemen helemaal op scherp. Kenmerkend voor deze uitingen is immers dat het niet gaat om echte kinderen. Korthals benadert, op uitnodiging van de Tweede Kamer, de zaak van de andere kant: het is bij digitale vormen van kinderporno vaak moeilijk aan te tonen dat er echte kinderen bij betrokken waren. ,,Van politie en openbaar ministerie kan niet worden verlangd dat bewezen wordt dat het aangetroffen materiaal echte kinderen afbeeldt''.

Dit is een sterk argument, maar niet doorslaggevend. Korthals hield zelf tot voor kort vast aan terughoudendheid om het virtuele domein te betreden omdat de concrete schade ontbreekt. Nu verlegt hij het accent subtiel naar ,,het voorkómen van schade''. De reden die hij opgeeft voor zijn ommezwaai is dat er ,,in internationaal verband consensus bestaat over de wenselijkheid van strafbaarstelling van virtuele kinderpornografie''. De minister baseert deze conclusie op de onderhandelingen in de Raad van Europa over het zogeheten Cybercrimeverdrag.

Opmerkelijk aan deze Europese onderhandelingen was niet in de laatste plaats dat er intensief aan werd deelgenomen door onder meer de Verenigde Staten en Canada. In zaken waarbij internet in het spel is, vergroot met name de Amerikaanse deelname het draagvlak van strafbaarstelling aanzienlijk. Canada liet in januari toch van enige aarzeling blijken in de zaak-Sharpe. Deze betrof een 67-jarige voormalige stadsplanoloog uit British Columbia, die de grondwettigheid van de pornografiewet aanvocht.

Het Canadese Hooggerechtshof verklaarde dat de strafbaarstelling van kinderporno niet alleen slaat op echte kinderen maar ook op ,,denkbeeldige menselijke wezens''. Ook een verbeelding kan bijdragen aan een schadelijk klimaat voor kinderen. Het hof nam bovendien de bewijsproblemen in aanmerking. Opperrechter McLachlin waarschuwde echter dat ,,een verbod op onze particuliere overpeinzingen gevaarlijk dicht komt bij het criminaliseren van het articuleren van een gedachte''.

Het Canadese hof besliste dan ook dat vervaardigen of bezit van materiaal waarbij geen echte kinderen zijn betrokken buiten de strafwet valt zolang het maar niet naar buiten komt. Deze Canadese formule laat meer individuele ruimte dan de wetswijziging van Korthals in combinatie met de strenge uitspraak van de Hoge Raad die hij nu ook in de strafwet wil neerleggen. Zo stevig is de internationale consensus waarop de minister zich beroept dus ook weer niet.

Er hangt nog een grotere wolk boven deze consensus. In de Verenigde Staten is de strafbaarheid van virtuele kinderporno juridisch omstreden. Een federaal hof van beroep heeft het verbod gebillijkt, maar een ander hof verklaarde het juist in strijd met de vrijheid van meningsuiting. Met name termen als ,,schijnbaar'', zoals het wetsvoorstel van Korthals bezigt, werden bestempeld als te vaag. En dat is in de VS een constitutionele doodzonde. Het federale Hooggerechtshof in Washington zal uitspraak doen in deze controverse. Dit hof heeft eerder al een Computer Decency Act ongrondwettig verklaard juist omdat deze te onbestemde termen voor strafbaarheid bezigde. Alles is natuurlijk mogelijk met het hof dat George W. Bush door een constitutionele kunstgreep het Witte Huis bezorgde, maar dat neemt de principiële vraagtekens bij strafbaarstelling van virtuele kinderporno niet weg.

Korthals gaat in zijn memorie van toelichting op het wetsvoorstel geheel voorbij aan zowel het aspect van de privacy, dat voor het Canadese hof een rol speelde, als de vrijheid van meningsuiting. Toch lopen vooral artistieke uitingen een verhoogd risico onder de nieuwe wet. De justitie heeft het nu al geregeld aan de stok met kunstenaars. De Hoge Raad moest er aan te pas komen om de inbeslagneming van foto's op het Holland Festival 1999 af te keuren. Strafbaarstelling van virtuele kinderporno zou volgens een commentaar op deze uitspraak van T.A. Schiphof in het juridisch tijdschrift Mediaforum ,,een zorgelijke ontwikkeling'' zijn. Er is meer aan de hand dan het praktische bewijsprobleem dat minister Korthals er nu van maakt.

F. Kuitenbrouwer is redacteur van NRC Handelsblad.