Hoge Raad laat zich niet opjagen

De Hoge Raad heeft meer tijd nodig voor een oordeel over de zaak-Bouterse. De kwestie is juridisch gezien complexer dan zij op het eerste gezicht lijkt.

Kan Desi Bouterse nu wel of niet in Nederland vervolgd worden wegens zijn aandeel bij de decembermoorden van 1982? Ja, zei het Amsterdamse gerechtshof vorig jaar na veel wikken en wegen. Nee, vond het college van procureurs-generaal, de top van het openbaar ministerie (OM).

Kern van het meningsverschil: de vraag of Nederland überhaupt wel rechtsmacht heeft om de voormalige Surinaamse legerleider hier te berechten. De wet die daar de basis voor vormt, het Folteringverdrag, is namelijk in Nederland pas in 1989 ingevoerd en dat is een juridische belemmering, vonden de PG's. Het hof oordeelde anders: Bouterse kan, volgens het internationaal gewoonterecht, met terugwerkende kracht worden vervolgd. Het OM kreeg vervolgens een bevel om een gerechtelijk vooronderzoek (GVO) te openen.

Het college van PG's legde zich er niet bij neer en kwam met een zeldzame beslissing. Bij de Hoge Raad werd een `cassatie in belang der wet' ingesteld. De redenering leek voor de hand te liggen: laat het hoogste rechtscollege een oordeel vellen over de fundamentele rechtsmachtvraag voordat ,,een aanzienlijke opsporing-, vervolgings- en berechtingsinspanning is verricht''. Vindt de Hoge Raad dat vervolging in Nederland helemaal niet kan, dan is behandeling van de decembermoorden-zaak hier van de baan. Maar het cassatieberoep in belang der wet blijkt in dit specifieke geval nogal wat haken en ogen te hebben. Het is dan ook niet voor niets dat de Hoge Raad zijn oordeel tot na de zomer heeft uitgesteld.

Het speciale rechtsmiddel van cassatie in belang der wet wordt sporadisch toegepast. Als een rechtszaak is afgerond, maar de procureur-generaal bij de Hoge Raad het uit juridisch oogpunt toch van belang vindt om een oordeel van het hoogste rechtscollege te vragen. Zo'n oordeel heeft dan verder geen gevolgen meer voor die procedure.

Maar bij een uitspraak van de Hoge Raad in de zaak-Bouterse zullen die gevolgen er wel zijn. Die procedure is namelijk nog helemaal niet afgerond; er loopt zelfs nog een vooronderzoek. Als de Hoge Raad een oordeel geeft, dan intervenieert het rechtscollege als het ware in een lopende zaak. Volgens de raadslieden van de nabestaanden die de procedure hebben aangespannen is dat helemaal niet de functie van een cassatie in belang der wet. Zij stellen bovendien dat de rechten van hun cliënten kunnen worden geschaad.

Als de Hoge Raad zou oordelen dat Nederland geen rechtsmacht heeft om Bouterse te vervolgen, heeft dat immers grote gevolgen. Het OM zal het GVO-Bouterse sluiten en de zaak, met het arrest van de Hoge Raad in de hand, bij de rechter aanbrengen. Die kan dan weinig anders meer dan de Hoge Raad volgen. Op die manier, zo schreven de advocaten enkele dagen geleden in een brief aan de Hoge Raad, wordt ,,het door onze cliënten verkregen recht van vervolging van Bouterse teniet gedaan.'' Zij stellen dat het cassatieberoep in een lopende procedure nooit als `breekijzer' kan worden gebruikt en ,,in onderhavige zaak een oneigenlijk rechtsmiddel is''. De advocaten vragen dan ook om niet-ontvankelijkheid van het OM.

Een woordvoerder van de Hoge Raad bevestigde gistermiddag dat de brief van de raadslieden heeft meegespeeld in de beslissing het oordeel uit te stellen, maar wilde verder niet inhoudelijk op de zaak ingaan. Wel zei hij te verwachten dat de nabestaanden waarschijnlijk de gelegenheid krijgen om op het standpunt van het college van PG's te reageren.

De nieuwe datum voor een oordeel is nu vastgesteld op 18 september. Er zijn dan drie mogelijkheden: er is in Nederland geen rechtsmacht voor een vervolging, er is wel rechtsmacht, of het OM is niet ontvankelijk. Wat niet inhoudt dat de Hoge Raad zich nooit meer over de zaak zal uitspreken. Maar het hoogste rechtscollege kan er voor kiezen pas op de plaats te maken en eerst de lagere rechter zijn werk te laten doen. Later kan de zaak dan altijd nog bij de Hoge Raad aan de orde komen. Voor wie er aan mocht twijfelen, is één ding in ieder geval zeker: de Hoge Raad laat zich, ook in de kwestie-Bouterse, niet opjagen.