Het anti-Amerikanisme

In Amsterdam staat een monument van anti-Amerikanisme: het traliehek om het Amerikaanse consulaat bij het Museumplein, een ostentatief verdedigingswerk waarvan je zou kunnen denken dat daarachter wel de vertegenwoordiging van een gehaat regime moet huizen. Of de Amerikanen het zelf zo hebben gewild, weet ik niet. Ik heb het altijd gênant voor de stad gevonden, en de laatste jaren gedacht dat het tijd werd om het af te breken. Er stonden alleen mensen voor een visum in de rij. Zo was het bij de Amerikaanse ambassades in alle Europese hoofdsteden. In de acht jaren van Clinton is Europa nagenoeg vrij van anti-Amerikanisme geweest. Dat was normaal geworden. Het begint nu op te vallen. Het rommelig bewind van de vorige president mag zijn nadelen hebben gehad, hij had in ieder geval wel begrepen hoe de laatste supermacht met de moeilijke, altijd op de rand van verongelijktheid levende Europese familie moest omspringen.

Dat van George W. iets anders kon worden verwacht heeft hij al in zijn verkiezingscampagne laten merken, en in de eerste honderd dagen van zijn presidentschap nog eens stevig bevestigd. Kyoto, het raketschild, zijn geestdrift voor de doodstraf, de enorme belastingverlaging die vooral in het voordeel van de hogere inkomens werkt, het is een ultraconservatieve en vooral Amerikaanse agenda. En er is een groot verschil tussen conservatieve Amerikanen en hun Europese geestverwanten. Daar komt dan zijn imago bij: dat van een man die het tegendeel van een begaafd en erudiet spreker is en weinig van de wereld heeft gezien. Dit alles werkt al krachtig in zijn nadeel. Het negatieve beeld wordt voltooid door de manier waarop hij president is geworden, met het zwakste mandaat uit de Amerikaanse geschiedenis, en hoe hij dat hanteert: alsof hij bij nationale acclamatie is gekozen.

,,Eén werkweek zal waarschijnlijk niet genoeg zijn om verandering aan te brengen in het grove, imbeciele beeld dat Europa's chattering class, de kletsende klasse van de opiniemakers, tijdens de verkiezingscampagne van Bush tot ontwikkeling heeft gebracht. Dat imago heeft in het door sociaal-democraten geregeerde Europa wortel geschoten'', schrijft de meestal zo verstandige columnist Jim Hoagland in de Washington Post. Zo is het niet. Het imago is in de Verenigde Staten zelf ontstaan. De kritische, negatieve toon is dagelijks terug te vinden in de serieuze Amerikaanse pers, bij de grappenmakers op de televisie, in de politieke tekeningen en ook in Hoaglands eigen krant. De sterkste bevestiging van het wantrouwen jegens deze president is gegeven met het besluit van senator Jeffords om de Republikeinse partij te verlaten, omdat hij zich door het eenzijdige ultraconservatisme van Bush en de zijnen verraden voelde. Het Europese wantrouwen tegen Bush krijgt bij Jeffords zijn bevestiging. Naar zijn inhoud is het programma waarmee Bush de wereld heeft begroet, een deel van het probleem. Het andere deel bestaat uit de manier waarop hij dat heeft gedaan. In Amerika is de techniek van de public relations uitgevonden, de zorgvuldig doordachte methode om de boodschap te verpakken opdat het publiek een gunstig beeld van de bedenkers krijgt en dan als vanzelf ontvankelijk voor de inhoud wordt. Uit de ostentatieve manier waarop Bush en de zijnen hun plannen met de wereld aan de wereld hebben gepresenteerd, zou je twee conclusies kunnen trekken: dat ze de wereld opzettelijk willen bruuskeren, of dat de mening van de rest van de wereld dit Washington geen enkele zorg is. Niet een `sociaal-democratisch' vooroordeel tegen een conservatieve Amerikaanse president, maar de praktische afwezigheid van enige vorm van diplomatie waarmee ingrijpende plannen worden gepresenteerd, is de oorzaak van de weerstand tegen George W. Een krachtpatser uit Texas die de wereld, daarbij inbegrepen zijn eigen land, aan een regime van dwangvoeding wil onderwerpen. Als dat zijn imago is, heeft zijn bewind dat aan zichzelf te danken.

Het anti-Amerikanisme heeft een lange geschiedenis. In 1953 ontstond in Europa grote verontwaardiging over de executie, op de elektrische stoel, van Ethel en Julius Rosenberg, die wegens atoomspionage waren veroordeeld. De oorlog in Vietnam is hier gepaard gegaan met jaren van anti-Amerikanisme. Toen moest worden beslist over het wel of niet plaatsen van de kruisraketten, kwamen honderdduizenden op de been. Voor een goed deel was dat anti-Amerikanisme georganiseerd. En toen hebben we de periode van Bill Clinton gekregen, met het bewijs dat de enig overgebleven supermacht zonder troebele bijmengsels met zijn Europese vrienden kan verkeren. Maar zoals nu blijkt: het bleef smeulen.

Het anti-Amerikanisme heeft drie oorzaken. Het kan wortelen in de rancune van de zwakkere partij tegen de onbetwistbaar allersterkste. Daar valt niets aan te doen. Het kan veroorzaakt worden door de sterkste, die opzettelijk of door onachtzaamheid verzuimd heeft, zich in de positie van de zwakkere te verdiepen. De Amerikanen zelf hebben daarvoor een uitdrukking gevonden: the arrogance of power. Tegen het einde van de jaren vijftig is daarover een boek verschenen, The Ugly American (1958), geschreven door de Amerikanen William J. Lederer en Eugene Burdick. Dat is een bestseller geworden. En dan is er een anti-Amerikanisme dat die naam niet verdient, omdat het uit redelijke, niet met emoties geladen kritiek bestaat, niet op `de' Amerikanen, maar op het doen en laten van sommige Amerikanen door andere Amerikanen met wie veel Europeanen het in dat geval eens zijn. Zo'n geval is president Bush met zijn bewind.

Het trekt al bij. Mevrouw Condoleezza Rice, veiligheidsadviseur, heeft een lieftallig artikel in de Herald Tribune geschreven waarin ze uitlegt dat het allemaal meevalt. Washington zal met zijn eigen plannen komen ter bestrijding van het broeikaseffect. Door het besluit van Jeffords is de Republikeinse meerderheid in de Senaat verloren. Af en toe blijkt vader Bush zijn zoon goede raad te geven. De president neemt geleidelijk afstand van zijn strategie van de machtsgreep. Dat is in Amerika onder druk van de Amerikaanse oppositie begonnen. Nu ervaart hij in Europa de grenzen van het mogelijke. Dat heeft niets met het klassieke anti-Amerikanisme te maken.