Expositie doet tekenaars veel onrecht

Nederland is nog steeds een handelsnatie. Wie dat voor een achterhaald idee hield, gebaseerd op de tijd dat de VOC nog kaneel en nootmuskaat uit de Oost importeerde, kan in Amsterdam het tegendeel constateren. Daar, in het Stedelijk Museum, is Dutch Oranges te zien – een expositie met werk van vijftig Nederlandse kinderboekillustratoren. Oorspronkelijk werd Dutch Oranges samengesteld voor de kinderboekenbeurs van Bologna waar Nederland `Guest of Honour' was. Een goede gelegenheid om het buitenland kennis te laten maken met het werk van Fiep Westendorp, Dick Bruna, Harrie Geelen en noem maar op. Het zijn er veel, en die aandacht verdienen ze.

In Bologna werden de illustratoren stuk voor stuk gepresenteerd met een kleine lessenaar waaraan drie of vier tekeningen hingen, samen met het boek waaruit ze waren. Een eerste kennismaking voor buitenlanders. Wat Holland-promotie ook. Een vogelvluchtig overzicht, dat volgens ingewijden in Italië veel weerklank vond.

Na zo'n succes treedt er een merkwaardig mechanisme in werking. Wanneer Nederlanders horen dat een landgenoot aanslaat in het buitenland, gaan ze hem plotseling anders bekijken. Met een blik van: gôh, dan moet het toch wel echt wat wezen (Amerika geldt in dit opzicht als het walhalla). Zoiets duidt niet op veel cultureel zelfvertrouwen, en dat wordt pijnlijker als dat succes vervolgens als een boemerang naar Nederland terugkeert. Dan krijg je namelijk Dutch Oranges in het Stedelijk.

Zoals gezegd: voor buitenlanders is deze expositie een aardige grabbelton, waar ze in snelle indrukken naar tekenaars van hun gading kunnen zoeken. Als je over de (oranje) tentoonstellingsvloer loopt, is het idee dat dat in Bologna volop is gebeurd reden voor plaatsvervangende trots. Het niveau van de tekenaars is hoog. Of het nu Fiep Westendorp is of Harrie Geelen, Max Velthuijs, Jan Jutte, Annemarie van Haeringen of Olivia Ettema — het is allemaal prachtwerk, dat wereldwijde aandacht verdient.

Maar goed, dat wisten we in Nederland al. Wie hier in het Stedelijk een tentoonstelling over deze tekenaars gaat zien, wil meer dan een oppervlakkige portrettengalerij waarin Dick Bruna alleen maar is vertegenwoordigd met vier Nijntje-tekeningen. Die wil wel eens wat verdieping. In hoeverre richten deze tekenaars zich bijvoorbeeld op specifieke leeftijden? Voelen ze zich verwant met `volwassen' beeldende kunst? De twee getoonde collages van Ted van Lieshout doen denken aan Schwitters-achtig dadaïsme, bij anderen komen associaties met Topor voorbij. Dutch Oranges maakt er geen woord aan vuil.

Zelfs het feit dat de tentoonstelling nadrukkelijk als `Dutch' wordt gepresenteerd, heeft de samenstellers niet kunnen verleiden tot inhoudelijke oprispingen over onderlinge verwantschap tussen de tekenaars. Internationaal onderscheiden Nederlandse tekenaars zich vooral door hun `grafische' stijl; bij de drie godfathers Westendorp, Bruna en Post zie je daarvan wel iets terug. Ze lijken ook navolging te krijgen, zie het werk van Olivia Ettema, Judith Ten Bosch en Wim Hofman. Maar of deze tekenaars zich met elkaar verwant voelen, uit dezelfde traditie werken of elkaar beïnvloeden, kom je op Dutch Oranges niet te weten. De verdenking dat het Stedelijk op zijn gemakzuchtigst een kinderlokkertje uit Bologna heeft binnengehaald is onvermijdelijk.

Nog pijnlijker is dat de illustratoren vermoedelijk worden geacht hier blij mee te zijn. Blij met de museale erkenning, blij dat hun werk eindelijk wordt getoond in het Stedelijk, dat na deze presentatie meteen is ontslagen van de plicht om de eerste tien jaar een fatsoenlijke, inhoudelijke expositie over dit onderwerp in te richten. Dutch Oranges is een zomervakantievuller, over de rug van de tekenaars.

Tentoonstelling: Dutch Oranges, vijftig kinderboekillustratoren uit Nederland. Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat 13, Amsterdam. Di t/m zo 11-17u. T/m 6 augustus. Catalogus: uitg. Waanders, ƒ35,-.