`D66 is geen stervende olifant'

Het progressief liberalisme is een politieke traditie om te koesteren, meent D66-leider Thom de Graaf. Gedachten over D66 en de Vrijzinnig Democratische Bond, die honderd jaar geleden werd opgericht.

Het gaat te ver om D66 de enige rechtmatige erfopvolger van de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB) te noemen, meent D66-leider Thom de Graaf. Maar de overeenkomsten tussen D66 en de dit voorjaar honderd jaar geleden opgerichte VDB zijn niet toevallig: afkeer van dogma, democratisch pragmatisme, liefde voor staatkundige hervorming, toeneiging tot de sociaal-democratie. Het grote gebaar wordt in deze kring niet geschuwd: algemeen kiesrecht en vrouwenkiesrecht voor de VDB, homohuwelijk of de gekozen burgemeester voor D66. Voor beide het correctief wetgevingsreferendum, dat binnenkort de senaat passeert.

Alleen de finale vergissing van de links-liberale VDB zal D66 niet maken, zegt De Graaf: zichzelf opheffen. Kort na de bevrijding van 1945 ging de VDB met de vooroorlogse SDAP op in de Partij van de Arbeid, die een brede progressieve volkspartij wilde zijn, maar al spoedig een dogmatisch-socialistisch gezicht liet zien. Een deel van de VDB-liberalen verliet de PvdA weer en stapte over naar de VVD, die echter van meet af aan een sterk conservatief-liberale inslag had, naar het voorbeeld van de vooroorlogse Liberale Staatspartij.

,,De VDB is eigenlijk het slachtoffer geworden van de verzuiling'', meent De Graaf. ,,Voor de progressief-liberalen waren de eerste naoorlogse decennia een intermezzo.'' Het zou tot 1966 duren voordat de vijf procent van het Nederlandse electoraat die - volgens De Graaf - steeds een links-liberale voorkeur aan de dag legt, weer een herkenbaar eigen huis had: D66.

En dat kan zo blijven, meent hij, ook al zijn na zeven jaar deelname aan de paarse coalitie de opiniepeilingen voor D66 zó slecht, dat de gedachten onwillekeurig teruggaan naar de jaren zeventig en tachtig dat D66 serieus overwoog zichzelf op te heffen. Niet nodig, want D66 heeft in 35 jaar zijn bestaansrecht bewezen: ,,D66 behoort niet tot het rijk van de stervende olifanten. We hebben behoorlijk wat bereikt en moeten oppassen niet te bescheiden te zijn.''

Dat één op de tien kiezers zich tot D66 bekent, is, volgens De Graaf, ook voor de toekomst een heel redelijk doel. ,,Natuurlijk zijn er steeds sterke conjuncturele schommelingen, maar dat is tegenwoordig niet typisch meer voor alleen D66'', meent hij. ,,Sinds de sterke toename van het aantal zwevende kiezers hebben alle politieke partijen daar last van.''

Maar het voornaamste argument, D66 als een bestendig gegeven van het Nederlandse politieke landschap te zien, is de waarde die deze partij heeft voor de ontwikkeling van Nederland: ,,D66 staat brede vernieuwing voor, op een wijze waar andere partijen niet aan toe komen. De PvdA steekt op dat gebied maar zelden zijn nek uit, en het etatisme (staatsdenken, red.) is er troef. Je ziet trouwens dat PvdA-leider Melkert dezer dagen ruimte biedt aan degenen in de PvdA die een zekere re-ideologisering van de partij nastreven'', zegt De Graaf in een toespeling op Duivesteijn en anderen, die een `progressieve coalitie' met GroenLinks en CDA voorstaan.

,,Wat de VVD betreft: daar is het vrijzinnig-democratisch gedachtengoed niet meer herkenbaar. Neem de houding van de VVD in de monarchie-discussie, waar ik hun woordvoerder Te Veldhuis hoorde zeggen dat de monarchie geen ornament, maar een fundament was. Daar dachten de liberalen van de negentiende eeuw toch anders over. De VVD is een conservatief-liberale partij, met een sterke ideologische voorkeur voor het vrije markt denken. Niks mis mee, maar niet mijn ideologie.''

D66, met zijn combinatie van aandacht voor de individuele vrije mens en een sociaal-actieve overheid, kan bruggen slaan die voor de twee paarse coalities onmisbaar zijn geweest en ook zullen zijn wanneer PvdA en VVD nog een keer samen zouden willen regeren, meent De Graaf. ,,Ik kan me niet voorstellen dat het CDA een dergelijke rol van buffer zou kunnen spelen, en het CDA is in geen geval een vernieuwende partij. Een paars kabinet zonder D66 zou in ieder geval veel minder stabiel zijn.''

Paars is trouwens niet de enige opstelling waarin D66 zijn typische brugfunctie kan spelen: begin jaren tachtig bracht de partij ook PvdA en CDA bij elkaar in het kabinet Van Agt II, zoals de VDB in de jaren dertig - ondanks een progressieve voorkeur - deelnam aan de kabinetten-Colijn.

Eén ding is zeker: een grote massapartij zullen de progressief-liberalen niet snel worden, denkt De Graaf. ,,Dat hangt ook samen met het soort mensen dat zich tot VDB en D66 aangetrokken voelt, uit de middenklasse en de intellectuele bovenlaag. Die hebben geen neiging tot strakke partijdiscipline en machtsdenken. Zij geloven in redelijkheid en de overtuigingskracht van argumenten in het debat. Koerswijzigingen in VDB en D66 voltrokken zich nooit, zoals soms bij anderen, in een sfeer van politieke moord en doodslag.'' Voor zo'n partij, denkt De Graaf, zal ook in de toekomst ruimte zijn in het politieke spectrum.