Zusjes

In de trein die Amsterdam verliet, zat een vader met zijn twee dochtertjes, meisjes van een jaar of zes, zeven. Het ene meisje was blond, het andere meisje droeg een brilletje en had een paardenstaart met een rood strikje er omheen.

De vader ging bedaard en ontspannen met zijn kinderen om. Hij sprak vloeiend Nederlands, maar met een sterk Frans accent, wat het komische effect van zijn woorden ongewild versterkte.

Hij liet veel toe, maar niet alles. Het paardenstaartje was de ondernemendste van het duo. Ze keek nieuwsgierig naar mij, de enige andere reiziger, drentelde door de coupé en sprong soms op een bank om in het bagagerek te kunnen kijken. Het andere meisje keek bewonderend naar haar op. Dat ze dat allemaal durfde! Misschien lag daarmee de rolverdeling tussen hen voor de rest van hun leven al vast. Maar ze konden het goed met elkaar vinden: ze giechelden en kwekten dat het een aard had.

Als ze iets te druk werden, greep de vader met zachte, plagerige hand in.

,,Suzanne, ben jij tevreden met zo'n zusje?'' vroeg hij aan het blonde meisje.

,,Mja.''

,,Of zullen we haar terugbrengen?''

,,Nee hoor.''

,,Ik kom niet uit een fabriek'', zei het paardenstaartje.

En ze tuimelden weer over elkaar heen van het lachen.

Ze stapten in Abcoude uit. Ze waren onderweg naar oma, begreep ik. De vader had een fiets meegenomen, het type fiets dat bij hem hoorde: een onmodieus geval zonder versnellingen en handrem. De meisjes holden op het perron voor hem uit, het paardenstaartje uiteraard voorop.

Met hoeveel vertedering ik hen ook nakeek, ik slaakte een zucht van verlichting. Eindelijk rust!

Ouwe zak, schold ik mezelf meteen uit, maar het hielp niet. Ik moest mezelf bekennen dat ik blij was dat ik van hen af was. Als ze gebleven waren, was ik met mijn boek naar een andere coupé verkast.

Hoe lang was het geleden dat ik zelf met handenvol dochters op stap ging? Sleeën op de hei, een haring eten op de kermis, hardlopen op het strand, wandelen in de bergen (,,Kunnen we vandaag niet bij het zwembad blijven?''). Een jaar of twintig. En hoeveel had ik toen wel niet van hen kunnen hebben?

Vrij veel. Ze speelden en tetterden aan je voeten en je bleef de krant lezen zonder het te horen. Hun lawaai was als het verkeersgedruis voor iemand die aan een snelweg woont. Het was er altijd, maar je was er aan gewend geraakt.

Tegenwoordig kan ik me alleen nog concentreren als er stilte om me heen is. Waar moet dat heen? Naar de grote stilte, jazeker, maar daar wilde ik toch nog even mee wachten als de Grote Stille het goedvindt. Er kunnen eerst ook nog kleinkinderen komen. Ik overweeg dan ook voor een tijdje, op straffe van onterving, een familiaal voortplantingsverbod uit te vaardigen. Ze moeten het maar accepteren. Per slot van rekening kom ik ook niet uit een fabriek.