Rapport: agenten trainen op sprinten

Politiewerk bestaat uit lange perioden die fysiek weinig intensief zijn en korte perioden met een hoge intensiteit. Deze conclusie trekken onderzoekers van de faculteit bewegingswetenschappen van de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Een agent surveilleert een groot deel van de dag, fysiek relatief rustig werk, en dat wordt afgewisseld door korte sprintjes achter bijvoorbeeld een inbreker aan.

Merkwaardig is dat deze dagelijkse praktijk niet is doorgedrongen tot de politieopleidingen.

,,Aspirant-politieagenten moeten nog altijd 10 kilometer door de polder rennen, terwijl duurvermogen hen in de praktijk weinig oplevert. Ze zouden veel meer gebaat zijn met meer intervaltrainingen'', zegt onderzoeker E. Mol.

De faculteit bewegingswetenschappen deed onderzoek in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Het onderzoek maakt deel uit van het project Politieonderwijs 2002. Dit project moet onder meer onderwijs en praktijk van de politieagent beter op elkaar laten aansluiten.

De onderzoekers maakten een inventarisatie van het politiewerk. Tachtig agenten van zes korpsen in Nederland werden gevolgd. Iedere activiteit werd bijgehouden.

,,De verdeling tussen het werk op straat en op bureau bleek ongeveer fifty-fifty'', zegt Mol. Het grootste deel van het werk wordt zittend verricht. ,,Surveillances worden meestal in de auto gedaan, zeker in de buitengebieden. Een agent zit dan het grootste deel van de dag. In de stad wordt meer gelopen'', aldus Mol.

De onderzoekers pleiten voor beter op de praktijk afgestemde fysieke trainingen en selectie. Ook hebben zij geadviseerd de fysieke vaardigheden van de agenten beter te onderhouden.

,,Omdat de politiek meer blauw op straat wil, is er minder tijd voor trainingen. Wij menen dat ook in de kwaliteit van de dienstverlening veel verbeterd zou kunnen worden, aldus Mol.''