Ook in eigen land kun je buitenstaander zijn

Hoe is het om over te stappen naar een andere cultuur? Op welke wijze bouwen nieuwkomers een bestaan op in Nederland of België, welke problemen ervaren zij en welke oplossingen dragen zij aan? In het kader van Rotterdam culturele hoofdstad hebben NRC Handelsblad, de Belgische krant De Standaard en de Phenix Foundation een essaywedstrijd georganiseerd rond het thema `Nieuw leven in de lage landen'.

Een jury bestaande uit voorzitter Frits Bolkestein (Europees commissaris voor de Interne Markt en Belastingen), Paul Scheffer (publicist), Juurd Eijsvoogel (hoofdredactie NRC Handelsblad), Peter Vandermeersch (hoofdredacteur De Standaard) en Nilgün Yerli (columniste/ publiciste en cabaretière) heeft de inzendingen onlangs beoordeeld. Vijf bijdragen zijn genomineerd voor de prijs die dit najaar zal worden uitgereikt tijdens de openingsmanifestatie van de Phenix Foundation, een stichting die beoogt de culturele diversiteit in de kunsten te versterken. De nu genomineerde essays zullen de komende weken in alfabetische volgorde worden geplaatst.

De winnaar maakt aanspraak op de Phenix Essayprijs, een onderzoeksbeurs die beschikbaar wordt gesteld door de Phenix Foundation.

,,Hé, witte!', werd ons als kind dikwijls nageroepen. Hoewel mijn zusje en ik hier geboren werden, waren wij blijkbaar zó blond dat het opviel. Wat moest je terugroepen? ,,Hé, zwarte!'? Limburgers mogen misschien iets donkerder zijn dan wij, zwart haar hebben de meesten niet.

Economische migranten

Door armoede gedwongen was onze overgrootvader lang geleden uit Zuid-Friesland vertrokken. Zijn zoon trok verder naar het zuiden en kwam uiteindelijk in Limburg in de mijn terecht. Ondanks het zware werk was het leven voor hem en zijn familie blijkbaar comfortabel genoeg om er te blijven. Echt `geassimileerd' zijn mijn grootouders nooit, maar er waren genoeg andere economische migranten om geen dialect te hoeven praten of katholiek te worden.

Mijn vader trouwde met een meisje uit Amsterdam, en samen vestigden ze zich in Heerlen. Daar werden mijn zusje en ik geboren. Door de toentertijd nog springlevende verzuiling in dat conservatieve deel van Nederland hadden wij weinig contact met katholieke buurkinderen of andere platpraters. Een van de eerste zinnen Heerlens die wij leerden verstaan, was dan ook: ,,Doebist neit va hei, wah?'

Anderzijds speelden we, op bezoek bij onze grootouders in Amsterdam, liever niet buiten want dan werden we omringd door van die grootstadschoffies: ,,Woat pgoate jullie ggek, sjegg! Woa komme jullie fedoan?' Hoewel we blijkbaar het accent overgenomen hadden, voelden we ons geen Limburgertjes. En als we al eens Friezen tegenkwamen, gaf dat ons evenmin een gevoel van `erbij horen'. Als we vertelden waar onze overgrootvader vandaan kwam, was de reactie steevast: ,,Ooh, Weststellingwerf. Nou, dat is niet echt Friesland hoor! Daar praten ze niet eens Fries.'

Pas toen ik eind jaren zeventig in Nijmegen ging studeren, werd mij duidelijk dat je geen buitenlander hoeft te zijn om als buitenstaander gezien te worden. Omgekeerd word je even gemakkelijk met anderen op een grote hoop gegooid, omdat iedereen de neiging heeft de wereld, nogal willekeurig, te verdelen in `wij' en `zij'. Als eerstejaarsstudenten verdeelden we ons spoedig in mensen van boven- en beneden de rivieren. Als er geen noorderlingen bij waren, verdeelden we ons wel in Brabanders en Limburgers en onder elkaar vonden Maastrichtenaren ons maar raar volk. Vanzelfsprekend vonden dialectsprekende medestudenten uit de mijnstreek zichzelf veel echtere Limburgers dan ik.

Het vertrek

Tien jaar later vond ik een baan in Guyana. Daar viel ik pas echt op, nog voor ik mijn mond opendeed. Niet alleen was mijn haar veel lichter, ook voor mijn huid gold dat. Vervelend was het wel, maar niet verwonderlijk om weer nageroepen te worden: ,,Hey, whitey!' Inmiddels aardig gewend een uitzondering te zijn, had ik er een prima tijd.

Die tijd bleek het begin van negen jaar wonen en werken in verschillende buitenlanden, waarbij aanpassen, mezelf blijven, verschillen uitleggen en overeenkomsten ontdekken altijd bleef boeien. Op ruim twee jaar Guyana volgden bijna drie jaar Mexico. Daar moest ik voortdurend uitleggen dat ik er wel uitzag als een gringo, maar toch niet uit de VS kwam. Sterker nog, omdat Mexicanen zich ver verheven voelen boven pakweg Guatemalteken en zich graag Noord-Amerikanen noemen, waren zíj de gringos en niet ik. Men kon daar de lol wel van inzien, maar toch bleef ik natuurlijk een gringo.

Behalve die keer in een dorp aan de kust, waar de mensen donkerder zijn dan in Mexico-stad en door gebrek aan buitenlandse toeristen elke blanke voor een chilango (neerbuigende bijnaam voor iemand uit Mexico-stad) aanzien. Toen ik in een restaurant vroeg waar mijn bestelling bleef, vroeg de serveerster droogjes of ik uit `de stad' kwam. In hetzelfde dorp benaderden de chilango-toeristen mij als een van hen, klagend over de langzame bediening. Er is blijkbaar weinig voor nodig om iemand niet als buitenlander te zien.

Lukte het in Mexico nog weleens als `een van ons' gezien te worden, in het volgende land was dat onmogelijk. Daar, in China, zorgde mijn accent voor grote hilariteit. Als grote groepen Pekinezen zich rond mij verzamelden en in hun keelschraperige dialect vroegen: ,,Ni shuo shenme? Ni shinaguo ren?' (Wat zeg je? Waar kom je vandaan?), was dat een soort déjà vu.

Tegen de tijd dat zij mijn Chinees begonnen te verstaan, kreeg mijn vriendin een contract in Ecuador aangeboden. Dus werden we nogmaals immigranten in een vreemd land.

De terugkeer

Nog voor we in Ecuador goed en wel opnieuw gestart waren, kwam er onverwachts een einde aan onze tijd in het buitenland. Onvoorbereid op het weerzien met Nederland was de schok bij de terugkeer groot. Het was wennen dat, door de enorme aantallen blanken op straat, er niemand meer op mij lette!

Bovendien bleek dat ze niet meer blank waren, maar `wit', een anglicisme dat in die negen jaar zo ingeburgerd was geraakt dat `blank' een soort koloniale bijklank had. Donkere mensen daarentegen waren geen gastarbeiders of rijksgenoten meer. Nee, ze waren `allochtonen'. Tot mijn verrassing was ik voor het eerst van mijn leven een `autochtoon'! Zo voelde ik me helemaal niet.

Nederland was flink veranderd en zelf was ik ook niet meer de student van vroeger. Met een gezinnetje en een container vol spullen voelde ik me behoorlijk `nieuw' in Nederland. Een crèche regelen, belasting betalen, een huis kopen, ik had er totaal geen ervaring mee. Ook had ik soms grote moeite om me begrijpelijk uit te drukken. `Gastarbeiders' bestonden niet meer, draagbare telefoons bleken gsm's en hoe zei je `canal' ook weer in het Nederlands? Voorts bleek snel dat slechte service en bureaucratie niet typisch zijn voor de Derde Wereld. Vooral de gang naar het douanekantoor in Arnhem-Zuid ter controle van een eerdere stempel uit Arnhem-Noord wekte verbazing. In Ecuador verlangen ambtenaren dat soort zaken om de klant aan te sporen een `persoonlijke bijdrage' te leveren, maar in Nederland? Ook het invullen van tientallen inschrijfformulieren deed me met weemoed terugdenken aan de administrateurs en collega's die in de buitenlanden hielpen een telefoon aangesloten te krijgen, kinderoppas te regelen, een huis te huren, de beste bakker te vinden.

Gewoon een praatje maken met een ambtenaar, arts of hersteller levert in Nederland geen voorkeursbehandeling op, maar ongeduldige blikken. Tijd is geld! Winkelpersoneel loopt nooit mee om je een andere winkel te wijzen waar ze misschien wel hebben wat je zoekt. Een uurtje over voetbal kletsen met de dokter lukt niet, want als patiënt moet je in tien minuten weer buiten staan. Zelfs collega's zijn niet meer automatisch vrienden, en uitstapjes of even een borreltje worden ruim van te voren in agenda's geschreven – zelfs voor `kids' bestaan er play-agenda's.

In de jachtige westerse wereld valt verder niet zozeer de zinloze rijkdom van velen op – die is in andere landen veel schrijnender – maar wel de snelheid waarmee iets afgedankt wordt als het uit de mode is of een onderdeel ervan niet meer functioneert. Bovendien kosten reparaties kapitalen en de levensduur van een voorwerp wordt door zo'n reparatie nog niet echt lang. Vlak voor mijn vertrek uit Ecuador braken daar bijna rellen uit toen de busprijzen met twee cent verhoogd werden.

In Nederland staan vrijwel nieuwe of makkelijk te herstellen televisies, stoelen, laarzen, gewoon bij het afval. Ik ben geen voorstander van het idee ons afval aan de Derde Wereld te schenken. Toch heb ik er grote moeite mee om deze kapitaalvernietiging te zien als `normaal', als iets dat bij `mijn manier van leven' hoort.

Opnieuw begonnen

Hoewel vanzelfsprekend minder ontheemd dan een asielzoeker of vluchteling, voelde ik me in Nederland toch soms een buitenlander. Het aanpassingsproces hier was, mede door de `kater' van het snelle vertrek uit Ecuador en de slechte voorbereiding van de terugkeer, misschien zelfs zwaarder dan in de andere landen, omdat iedereen ervan uitgaat dat een Nederlander snapt hoe Nederland werkt.

Behalve dat ik door mijn uitspraak van de `g' nog geregeld voor Vlaming doorga, is het herinburgeringsproces inmiddels voltooid. Toch gaat er geen dag voorbij of ik erger me wel aan iets. Aan onze nationale feestdag bijvoorbeeld, weinig meer dan een massale braderie en een gigantische rommelmarkt. Ook is er elke dag iets wat ik mis, zoals feesten waarbij jong en oud zingen, dansen en vrolijk zijn, en natuurlijk (als ik eerlijk ben) de aandacht die ik als buitenlander kreeg.

Anderzijds kon ik `ginds' nooit mezelf zijn als eeuwige buitenstaander.

Hier kan ik gewoon een kop koffie bestellen in een café zonder ,,Waar kom je vandaan?', rondkijken op een markt zonder dat de prijzen onmiddellijk omhoog gaan en lekker opgaan in de massa. Het gemis van deze kleine genoegens deed mij negen jaar lang elke dag iets van `thuis' missen. Tenslotte is Nederland gewoon een fantastisch land. Maar misschien moet je een tijdje weggaan om dat te ontdekken.

Frank Bron is ontwikkelingspoliticoloog. Hij werkt tegenwoordig bij Amnesty International.