Liefde voor het weerloze

`Weerloosheid' was een van de meest geliefde woorden van de filosoof en essayist Cornelis Verhoeven, die in de nacht van zondag op maandag op 73-jarige leeftijd overleed. In zijn bijna tachtig boeken tellende oeuvre komt steeds de overtuiging naar voren dat mensen hun leven maar in zeer beperkte mate in eigen hand hebben. Verhoevens aandacht ging bij voorkeur uit naar het onaanzienlijke, waarvan hij in zijn beschouwelijke essays de verborgen betekenissen liet zien. Graag analyseerde hij woorden uit de omgangstaal, waarvan hij – bijvoorbeeld in de bundel Het besef uit 1991 – de rijke schakering belichtte, of alledaagse automatismen in het menselijk gedrag, waarover hij zich onvermoeid kon verwonderen.

Zelf bracht hij zijn afkeer voor het geloof in dadendrang en het besef van de menselijke onmacht in verband met zijn afkomst. Hij werd in 1928 in het Brabantse Udenhout geboren als zoon van een kleine boer met zeven kinderen. `Wij zaaien wel, maar wat we zullen oogsten bepalen we niet zelf,' zei hij ooit over de afhankelijkheid van het boerenbedrijf. Die ervaring werd, samen met zijn afkeer van de marcherende ideologieën van de jaren dertig de daaropvolgende oorlog, richtinggevend voor zijn denken.

Na een kort verblijf op het seminarie studeerde Verhoeven in Nijmegen klassieke talen, die hij vervolgens zeventwintig jaar lang aan de middelbare school doceerde. In zijn vrije tijd schreef hij filosofische artikelen, waarmee hij vooral binnen de katholieke wereld naam maakte. Zijn beschouwingen over de vraag wat rituelen en symbolen zijn, kwamen in de jaren zestig, toen de katholieke kerk zich trachtte te vernieuwen, als geroepen. Rondom de leegte, de bundel waarin hij in 1965 deze beschouwingen samenbracht, is zijn meest succesvolle boek gebleven.

Toch was zijn verhouding tot de katholieke vernieuwingsbeweging gespannen. Ook zij leed volgens hem aan een te grote zelfverzekerdheid en een activisme dat te gemakkelijk meende te weten hoe de wereld verbeterd kon worden. Vanaf het eind van de jaren zestig vertegenwoordigde Verhoeven – die allerminst een religieus denker was – veeleer een tegenstem die hem maatschappelijk en literair naar de marginaliteit drong. Zijn constatering dat `demonstraties tegen het geweld in een liturgie van geweld verlopen' maakte hem bij de protestgeneratie weinig geliefd.

Zijn marginale positie maakte hem onbegrepen. Verhoeven, die zijn leven lang in Brabant bleef wonen en indringend kon schrijven over zijn streektaal, had niets Bourgondisch. Brabanders zijn eerder nogal somber over de menselijke mogelijkheden, schreef hij in een nauw verhulde zelfkarakterisering. Het sceptische en bijna anarchistische karakter van zijn denken werd even vaak miskend als zijn bijtende ironie waarvoor hij ook zichzelf niet spaarde. Zijn zelfspot (`Als kind wilde ik natuurlijk paus worden') werd vaak voor naïeve ernst aangezien.

Nadat Verhoeven al in 1971 de Anne Frankprijs had ontvangen, werd hem in 1979 ook de P.C. Hooftprijs voor beschouwend proza toegekend. De commentaren over zijn werk, dat zo weinig strookte met de tijdgeest, waren niet altijd vleiend en soms – zoals in het geval van Hugo Brandt Corstius – uitgesproken onheus. Enkele jaren later mocht Verhoeven, als commissievoorzitter, de toekenning van diezelfde prijs aan Brandt Corstius tegenover de toenmalige regering verdedigen. Hij deed dat met kenmerkende koppigheid.

In 1981 werd Verhoeven benoemd tot hoogleraar antieke filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Dat betekende het begin van een reeks boeken over Griekse filosofen (vooral Plato had zijn voorkeur) en vertalingen uit het Grieks en het Latijn. Zijn filosofische essayistiek veranderde er weinig door. Ze bleef onacademisch en onsystematisch. Filosofie was voor Verhoeven geen kennisvak maar – zoals hij in zijn veelgelezen boek Inleiding tot de verwondering uit 1967 al gescheven had – een voortdurende oefening in bevreemding over het bestaan en in het stellen van vragen die niet per se uit zijn op een antwoord.

Als hoogleraar had Verhoeven, onder een nieuwe, minder protestgerichte generatie studenten veel succes. Maar ondanks de veranderde tijdgeest hebben zijn boeken de aansluiting bij het publiek niet hervonden. Zijn teleurstelling daarover verbeet hij met sarcastische zelfrelativering. ,,Mijn `productbegeleiding' is uit het oogpunt van management buitengewoon slecht verzorgd'', zei hij ooit. ,,Daar had ik misschien een agent voor nodig gehad. Die had me vast wereldberoemd gemaakt. Maar zo'n dienstbare figuur gaat zich natuurlijk overal mee bemoeien en alles verpesten. Die gaat de mouwen opstropen. Ik zou gestorven zijn van ellende.''