Legitimiteit van senaat te zwak ...

De Eerste Kamer komt er in het magazine M van NRC Handelsblad (2 juni), in de ogen van haar eigen leden, niet goed af. Toch is er geen reden aan nut en noodzaak van de senaat te twijfelen, vinden Bert van den Braak en Marijke Linthorst.

De Eerste Kamer is een politiek lichaam dat wetsvoorstellen zowel op juridische en constitutionele aspecten als op beleidsmatige doelstellingen beoordeelt. Dat betekent dat soms kwalitatief minder volmaakte voorstellen worden aangenomen. Zou alleen een zuiver juridisch oordeel worden verlangd, dan lag vervanging van de Senaat door bijvoorbeeld de Raad van State voor de hand. Juist omdat het om een bredere afweging gaat, is het goed dat dit door een gekozen en politiek orgaan gebeurt. De Eerste Kamer is een gekozen lichaam. Wellicht is het nuttig om over de wijze van verkiezing nog eens na te denken, want getrapte verkiezingen doen immers nogal archaïsch aan. Rechtstreekse, gelijktijdige met de Tweede-Kamerverkiezing te houden verkiezing zou logischer zijn. Dat versterkt haar legitimiteit en maakt bovendien zinvolle Kamerontbinding mogelijk.

In de minder sterke legitimiteit zit het probleem voor het functioneren van de Eerste Kamer. Zij is er zich daardoor van bewust dat terughoudendheid geboden is en dat zij, ondanks mogelijke bezwaren, niet zo maar alle in de Tweede Kamer gesloten compromissen kan afschieten. De stelling van de voorzitter van de Tweede Kamer, Jeltje van Nieuwenhoven, dat dit juist wel gebeurt, is niet op feiten gebaseerd. De Eerste Kamer heeft de afgelopen tien jaar nauwelijks wetsvoorstellen geblokkeerd, laat staan moeizaam gesloten compromissen om zeep geholpen.

Het grote probleem voor de senaat is derhalve het volgende: verwerpt hij veel, dan roept iedereen 'afschaffen die hap', zo komt er niks van onze compromissen terecht. En verwerpt hij weinig, dan komt al snel de vraag op: is die Eerste Kamer niet een beetje overbodig. Met dat in gedachten moet de Eerste Kamer ervan maken wat ervan te maken valt. En ondanks alle kritiek lukt dat aardig. Dat kan door toezeggingen af te dwingen en door regering en Tweede Kamer alert te houden op het punt van de wetgevingskwaliteit. Zo is recentelijk door toedoen van de Eerste Kamer een betere toetsing van het overgangsrecht bij nieuwe wetgeving (bijvoorbeeld in de sociale zekerheid) tot stand gekomen. Dat kan verder door het afdwingen van een novelle (een wijziging van een nog bij de Eerste Kamer aanhangig wetsvoorstel). Het is voor de gemiddelde burger (en blijkbaar evenmin voor enkele senatoren) vast niet spectaculair, maar desondanks nuttig. Bovendien fungeert de senaat als een soort slaperdijk. Als het echt te gek wordt (bij het ontwerp-Nabestaandenwet van staatssecretaris Ter Veld) of als burgers iets echt onaanvaardbaar vinden ( de vorming van Twentestad), kan de Eerste Kamer corrigerend optreden.

Dat het politieke compromis van het correctief referendum in de senaat sneuvelde, was meer een gevolg van de wijze waarop wij onze Grondwet plegen te wijzigen, dan van het feit dat een meerderheid daartegen was. Immers, zowel in eerste als tweede lezing werd het voorstel in beide Kamers met brede steun aanvaard. Blijkbaar is het logisch dat, nadat én de Staten-Generaal én de kiezers (de Tweede Kamer wordt immers vanwege de grondwetsherziening ontbonden) en nogmaals de Tweede Kamer (zelfs met gekwalificeerde meerderheid) een voorstel hebben aanvaard, ook nog eens 26 slechter gelegitimeerde Eerste-Kamerleden een voorstel kunnen tegenhouden. Voordat politici instituten ter discussie willen stellen, zou eerst die anomalie moeten worden aangepakt.

Dr. Bert van den Braak is verbonden aan het Parlementair Documentatie Centrum van de Universiteit Leiden. Hij is in 1997 gepromoveerd op een dissertatie over de Eerste Kamer.