Iets in de thee? (1983)

De clubarts van FC Groningen heeft het boetekleed aangetrokken, of staat op het punt dat te gaan doen. Hij trekt zijn beschuldigingen over het dopinggebruik bij ten minste twee spelers van Inter Milaan in en schijnt bereid dat schriftelijk vast te leggen. Wellicht heeft de geachte medicus in het bijbelboek Prediker zitten bladeren en is hij de volgende tekst tegengekomen: `Wie zichzelf overwint, is sterker dan hij die een stad inneemt.'

Waarschijnlijker evenwel is dat zijn omgeving hem ervan heeft kunnen overtuigen dat dit soort wilde beschuldigingen geen enkele kans van slagen heeft. Want wat zou het resultaat zijn? Dat de Europese voetbalunie (UEFA) de dopingklacht schouderophalend in de map afgewezen klachten opbergt, aangezien er achteraf niets kan worden aangetoond. De Europese clubcompetities kennen immers geen dopingcontrole – wat op zichzelf vreemd genoeg is.

Mijn eerste aanraking met wat een geval van doping geweest zou kunnen zijn, dateert van 1962, toen de ex-schelpenvisser van Mozambique, Eusebio, onmiddellijk na afloop van de Europa- Cupfinale tegen Real Madrid als een dwaas rondsprong.

Wij keken met enige verbijstering naar dat tafereel en al gauw viel het woord doping. Maar even snel kwamen de verdedigers van de Portugees in het geweer. Had niet Eusebio een schitterend hoogtepunt in zijn carrière beleefd door het zoveel sterker geachte, door Alfredo Di Stefano gedirigeerde Real Madrid uit te schakelen, zelfs na een 0-3 achterstand? Was het nu werkelijk zo'n wonder dat Eusebio in alle staten van verrukking was en daar, zijnde een natuurmens, ongeremd uiting aan gaf? Gedrogeerd zonder kunstmiddelen – dat was zo ongeveer de verklaring.

En men voegde eraan toe dat voetbal zich niet leende voor drogeringsmiddelen. Het was toch een coördinatiesport, waarin het resultaat moest steunen op een weloverwogen samenspel van spieren en geest? Daarbij viel altijd de twijfel te horen van diegenen die meenden dat er een soort doping bestond die de vermoeidheidsgrens verlegde zonder de geest te benevelen. Niettemin: dopingverwijten in de voetballerij zijn zelden met groot applaus begroet. Zelfs een algemeen geacht man als voorzitter Meuleman van de KNVB kreeg nogal wat kritiek over zich heen, toen hij in Oost-Duitsland een opmerking aan zijn geprangd gemoed liet ontsnappen die hij nooit hard heeft kunnen maken. ,,Het lijkt wel alsof die kerels iets in hun thee hebben gekregen.''

Hij doelde op de DDR-ploeg die zojuist met 4-3 van Nederland had gewonnen in een uitermate spannende wedstrijd, waarin de gastheren een 0-2 achterstand wegwerkten en onmiddellijk na rust een geweldig offensief inzetten. Het tijdstip en de hevigheid van die serie aanvallen verleidden Meulemans tot een veronderstelling die hij beter binnensmonds had kunnen houden. Dat was in 1967.

Trouwens, als totale inzet en groot fanatisme op zichzelf redenen zijn om van doping verdacht te worden, dan kunnen we bij de vooroorlogse Nederlandse voetbalploeg heel goed terecht. Schreven Joris van den Bergh, Ad van Emmenes, Kick Geudeker en andere sportjournalistieke coryfeeën uit de jaren dertig niet bewonderend over `het krankzinnige kwartiertje' van het Nederlands elftal? Een kwartiertje, waarin alles lukte, het tempo steil omhoog ging, individuele en combinatieve acties uit de mouw werden geschud en wedstrijden die moeilijk stonden, binnen de kortste keren in ons voordeel werden beslist?

Iets in de thee? Onzin. De dader heette Karel Lotsy, die het elftal mentaal had opgepept, waardoor deze explosies mogelijk werden. Of in het profvoetbal van nu zoiets nog kan, is een andere vraag. En of Inter over een Lotsy beschikt, lijkt twijfelachtig. Maar beschuldigen zonder bewijzen is zinloos.

Dit is een van de eerste columns van Herman Kuiphof (81), ter gelegenheid van zijn afscheid als columnist.