Gezocht: ideale eurokoers voor het pond

Op de valutamarkt nemen de speculaties toe over een toekomstige toetreding van het Britse pond tot de euro. Vraag is: tegen welke koers?

Beroering op de internationale valutamarkt: gaat het pond dan binnen afzienbare tijd toch op in de euro? Vorige week daalde sterling, in de dagen voor tijdens en na de Britse parlementsverkiezingen, scherp tegenover de euro en de Amerikaanse dollar. De overtuigende winst van Labour, die premier Blair voor het eerst in de geschiedenis van de partij een tweede termijn bezorgde, bleek de opmaat voor hernieuwde speculaties over de entree van de Britse munt in de Economische en Monetaire Unie. De verwachtingen lopen sterk uiteen, maar de kans wordt reëel geacht dat Blair tijdens de regeerperiode een referendum uitschrijft over de euro – misschien al volgende zomer. Bij een overwinning van het pro-eurokamp kan de euro dan in 2004 of uiterlijk in 2005 tot de euro toetreden. Blair is daarmee nog ruim op tijd voor de uiterste datum van de volgende parlementsverkiezingen in 2006.

Los van de vraag of dat referendum er inderdaad al zo snel komt, en of een meerderheid van de Britten zich daadwerkelijk zal neerleggen bij het opgeven van het pond, is voor de valutahandel de vraag: wat is tegen die tijd een goede euro-koers voor het pond?

De Britten kampen bij die vraag met de traumatische ervaring die het vorige Europese avontuur van sterling opleverde. In 1990 werd het pond ingebracht in het toenmalige Europese Monetaire Stelsel. In dat EMS zaten de munten van de lidstaten met `spilkoersen' aan elkaar vast.

De spilkoers van 2,95 mark (3,32 gulden) waartegen het pond het EMS in ging, bleek te hoog: een zware recessie teisterende de Britse economie, die het moordend hoge Duitse rentetarief moest navolgen om de spilkoers van het pond te beschermen. In september 1992 bezweek de verdediging onder golven van speculaties op de valutamarkt: het pond zakte door zijn ondergrens, verliet het EMS en kwam in een vrije val.

Die ervaring zit diep, en heeft bijgedragen tot de anti-Europese stemming die de jaren negentig in het Verenigd Koninkrijk domineerde. Afgezien van de onzekerheid óf het pond de EMU in gaat, is het `prikken' van de juiste koers een nogal gevoelig onderwerp na het mislukken van de vorige poging in 1990.

De koersval die het pond de laatste weken maakte ten opzichte van de euro (en impliciet dus ook de Duitse mark) is daarbij veelzeggend. In de jaren negentig zat de Britse munt veel meer aan de Amerikaanse dollar vast dan aan de Europese munten. Sinds de start van de EMU in 1999 is die band (koosnaam: de cable, naar de onderzeese telegraaflijn waar de wisselkoers een eeuw geleden door werd doorgeseind) al losser geworden.

Toen eind mei de dollar opnieuw sterk steeg tegenover de euro, haakte het pond met de Britse verkiezingen in het vooruitzicht af. Het pond sterling daalde tot de laagste koers tegenover de dollar in 18 jaar.

De neiging van sterling om, met de euro in het vooruitzicht, te dalen bleek dus sterker dan de band met de dollar. Niet voor niets: zelfs op een koers van 3,18 Duitse mark is het pond vergeleken met de onhoudbare spilkoers van 2,95 mark in 1992 nog veel te sterk. Op de valutamarkt circuleerden de afgelopen dagen schattingen van een verdere daling met tien procent om het pond in evenwicht te brengen met de munten van het continent, die nu zijn opgegaan in de euro. Dat impliceert een instapkoers van rond de 2,90 mark (3,27 gulden).

De onzekerheden zijn echter te groot om daar al voorspellingen over te kunnen doen. De Amerikaanse bank J.P. Morgan herinnerde er afgelopen weekeinde aan dat de `evenwichtskoers' van het pond, op basis van koopkrachtpariteit rond de 2,20 mark (2,48 gulden) ligt. Een meer verfijnde methode, de zogenoemde fundamental equilibrium exchange rate, die uitgaat van een situatie waarbij de Britse economie in betalingsevenwicht komt met het buitenland, komt volgens J.P. Morgan op rond de 2,55 mark.

Dat is sterk lager dan de koers van het pond op dit moment, en ook nog ver onder de spilkoers van 2,95 mark uit 1990. Anderzijds zijn sinds begin jaren negentig de fundamentele kenmerken van de Britse economie sterk verbeterd ten opzichte van die van het continent: hogere economische groei, een gestegen productiviteit, een werkloosheid van 3,2 procent en een voor 2001 verwachte inflatie van nog geen 2 procent. Dat wijst er op dat de huidige, hoge pondkoers niet zo gek is.

Daar tégen pleit weer dat de kabel tussen dollar en pond dan wel verzwakt, maar nog niet verbroken is. Mocht de dollar de eerstkomende jaren dalen vanaf zijn zeer hoge euro-koers, dan zakt het pond vrijwel zeker mee.

Daarmee is op dit moment maar één ding zeker: als het komt tot een entree van het pond in de euro, dan zal het continent een zo hoog mogelijke instapkoers voor de Britse munt willen bedingen. De Britse regering zal er alles aan doen om die instapkoers juist laag te houden. Het trauma uit 1992 ligt daarvoor nog te vers in het geheugen.