Europa kan Bush een politieke dienst bewijzen

Bush is in de aanloop naar zijn Europese reis op veel punten teruggekrabbeld. Zijn opeens gematigde uitspraken zijn voor Europa bedoeld, maar veel ervan, vooral over het milieu, zijn zeker zo belangrijk voor zijn Amerikaanse publiek, meent E.J. Dionne.

Stel u de Engelse premier Tony Blair eens voor als Bill Clinton zonder de schandalen. Stel u dan de overweldigende herverkiezing van Blair de afgelopen week voor, en wat er vorig jaar dus in de Verenigde Staten had kunnen gebeuren zonder Clintons fouten, de blunders in de campagne van Gore en die ene beslissing van het Amerikaanse hooggerechtshof.

Zodra u dat doet, kunt u al voorbaat vraagtekens zetten bij de verhalen u deze week zult lezen terwijl president Bush door Europa reist. De nieuwsberichten zullen spreken van de enorme `culturele kloof' en `politieke scheidslijn' die er tussen Europa en de Verenigde Staten bestaat.

Maar over wezenlijke thema's zijn wij en onze vrienden in de Europese democratieën het helemaal niet zo oneens. Het verschil is dat onze president heeft besloten om te doen alsof hij een mandaat heeft voor een veel conservatiever programma dan de kiezers wilden. De politieke kloof bestaat dus minstens evenzeer tussen Bush en de Amerikaanse kiezers als tussen de Verenigde Staten en Europa.

Bush lijkt hier wel van doordrongen. Daarom is hij in de aanloop naar zijn Europese reis op zoveel punten teruggekrabbeld – met boven aan de lijst de opwarming van de aarde. Weliswaar is een aantal van zijn opeens gematigde uitspraken voor Europa bedoeld, maar veel ervan, vooral over het milieu, zijn zeker zo belangrijk voor zijn Amerikaanse publiek.

Als er echt zo'n grote kloof bestond, hoe kan het dan dat vorig jaar, met Clinton in het Witte Huis, de Verenigde Staten en Europa het nog zo roerend eens leken te zijn?

De eensgezindheid was duidelijk. De laatste tientallen jaren voerden de Europeanen een marktvriendelijker politiek, met behoud van hun aanzienlijke sociale voorzieningen. Frankrijk, altijd gezien als buitenbeentje in die eensgezindheid, bewees de regel misschien nog wel het beste. De Franse socialisten houden nog wel altijd een voortreffelijk praatje over de afwijzing van de `Angelsaksische' politiek, maar intussen heeft premier Lionel Jospin wel de leiding van een kapitalistische hausse gehad.

Ook Clinton leidde de Verenigde Staten in een kapitalistische hausse, zelfs al verhoogde hij de belastingen voor de rijken (iets wat zogenaamd alleen Europeanen doen) en stelde hij een uitbreiding van de overheidsdiensten voor. Clintons voornaamste nederlaag was dat hij niet slaagde in de opzet van een nationale gezondheidszorg die een bewuste combinatie was van Europese opvattingen over een algehele dekking en Amerikaanse marktideeën.

Toch is er sinds de ondergang van de `Clintoncare' in de Verenigde Staten juist een roep om meer overheidsingrijpen in de markt van de gezondheidszorg. In brede kring wordt aangedrongen op rechtsbescherming voor de patiënten, meer subsidie om kinderen en werkende armen te verzekeren, en een gratis verstrekking van geneesmiddelen op recept.

De overwinning van Blair zegt in nog meer opzichten iets over de eensgezindheid. Blair behaalde zijn overweldigende meerderheid in het parlement ondanks een scherpe daling van de opkomst. Nog nooit gingen er zo weinig kiezers stemmen – een teken te meer helaas van de amerikanisering van de Engelse politiek. Daaruit bleek dat het publiek het goed had gezien dat Blair gemakkelijk zou winnen, dat de Conservatieven teleurgesteld waren de leiding van hun eigen partij, en dat de gematigde politiek van de Blair-Clinton-Gore-school tot een zekere lusteloosheid kan leiden.

Maar Blair heeft handig op de publieke stemming ingespeeld. Na zich het grootste deel van zijn loopbaan op het politieke centrum te hebben gericht, maakte Blair ditmaal een bescheiden draai naar links. Hij legde de nadruk op hogere uitgaven voor de publieke dienstverlening – gezondheidszorg, onderwijs en openbaar vervoer.

Op de Engelse politieke agenda stonden duidelijk een aantal van dezelfde thema's als bij de laatste Amerikaanse verkiezingen. Daarmee wist Al Gore een meerderheid van de stemmen achter zich te krijgen – en overigens een hoger percentage van het totale aantal stemmen te behalen dan Blair in Engeland.

De eerlijkheid tegenover Clinton en Gore gebiedt te zeggen dat dit pas Blairs eerste herverkiezingscampagne was. Clinton deed het de tweede keer ook uitstekend. Toch verdienden hij en Gore hun pak slaag vanwege de missers in hun campagne van 2000. De Democraten zouden misschien baat hebben gehad bij het gebruik van een van de leuzen van Blairs Labour-partij: `Help ons afmaken wat we begonnen zijn.'

Er was nog een factor. George Bush voerde handiger en soepeler campagne dan de Engelse Conservatieve leider William Hague, die inmiddels is afgetreden. In de allereerste plaats begreep Bush het belang van het onderwijsthema, dat hij met hard werken wist te neutraliseren.

Maar behalve op onderwijsterrein is de handige Bush uit de campagne in het Witte Huis vervangen door een Bush die strenger in de leer is. Het is die tweede Bush voor wie in Europa betogers de straat op zullen gaan. En het is ook die tweede Bush die steeds verder afwijkt van de Amerikaanse publieke opinie. Het paradoxale is dat de Europeanen als ze Bush tot gematigdheid dwingen, hem in eigen land een geweldige politieke dienst zullen bewijzen.

E.J. Dionne is columnist.

©The Washington Post Writers Group