Dwangarbeiders WOII krijgen geen vergoeding

Nederlanders die in de Tweede Wereldoorlog in Duitsland dwangarbeid hebben verricht, krijgen definitief geen vergoeding van de Nederlandse overheid. Dat maakt de Stichting Burgeroorlogsgetroffenen (SBO) op uit een brief van minister Borst (Welzijn).

De SBO vroeg vorig jaar een bedrag van 300 miljoen gulden voor de dwangarbeiders. Volgens de organisatie is het Nederland te verwijten dat Duitsland de door de dwangarbeiders opgebouwde pensioenrechten voor 20 miljoen gulden liet afkopen. Dat gebeurde kort na de oorlog. Het geld kwam terecht bij de Sociale Verzekeringsbank. De dwangarbeiders kregen op hun 65ste verjaardag vijftig gulden voor elk jaar dat ze in Duitsland hadden gewerkt.

Nu de overheid op het standpunt blijft staan dat de zaken geregeld zijn, geeft de SBO verdere acties op. ,,De mensen zijn gemiddeld tachtig jaar. Iedere keer als er over wordt geschreven, maakt het maar emoties los.''

Minister Borst betuigde in genoemde brief wel haar ,,medeleven met de dwangarbeiders voor hun onvrijwillige tewerkstelling en de erbarmelijke omstandigheden onder welke velen hebben verkeerd''. Ze kaartte aan dat relatief weinig ex-dwangarbeiders een beroep doen op de WUBO, de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. In overleg met SBO en Pensioen en Uitkeringsraad (PUR) wil ze een plan van aanpak opstellen ,,waarbij een prudente gedragslijn wenselijk is. Voorkomen moet worden dat bij deze grote groep oude mensen op grote schaal verwachtingen worden verwekt of zelfs emotioneel belastende onderzoeksprocedures worden gestart, die vervolgens in een groot aantal gevallen slechts tot telerustellingen zullen leiden''.

Uit Duitsland valt voor de Nederlandse dwangarbeiders ook niet zoveel te verwachten. Hoewel daar fondsen worden gecreëerd, zijn de voorwaarden zo streng, dat de Nederlanders er veelal niet aan kunnen voldoen. Zo moeten ze gedeporteerd zijn, onder dwang hebben gewerkt en in erbarmelijke omstandigheden hebben verkeerd.