Teeuwen is oppermachtig

In het aanvangsdonker klinkt een big band-fanfare, dan gaat het toneellicht aan – en groter kon het contrast niet zijn. Daar zit Hans Teeuwen aan de vleugel een treurig, maar vooral ook traditioneel liedje over een verloren liefde te zingen. Zodra het afgelopen is, beent hij echter naar voren om een verhaal over eenzaamheid te beginnen, en over de dingen die je dan, in je ellende, allemaal doet. Dingen die volkomen overwachts komen, en die ik hier niet zal verraden, al was het maar omdat zulk surrealisme op papier altijd tegenvalt. Ze ontlenen hun kracht aan de manier waarop Teeuwen ze te berde brengt – alsof ze eigenlijk de normaalste zaak van de wereld zijn, en alsof het de hoogste tijd wordt dat iemand daar op het toneel eens een keer over begint.

In zijn derde programma vond ik Hans Teeuwen een adembenemende performer en dat vind ik nu, bij zijn vierde, weer. Hij beledigt alles en iedereen, maar grijnst en alles is weer goed. Dan begint hij opnieuw te razen en te tieren, maar weer maakt hij een onverhoedse wending om zich los te maken van het zojuist beweerde. Nooit laat hij zich vangen, steeds is hij het publiek een paar stappen vóór. Dat maakt hem oppermachtig. Hij kan daardoor langer over iets doorzeuren dan ieder ander zou durven, en hij kan ook gevaarlijk dicht bij de volstrekte inhoudsloosheid komen zonder die greep te verliezen.

Gisteravond ging zijn vierde programma, Dat dan weer wel, in première, maar hij gaat er pas na de zomer mee op tournee. Dat druist tegen alle regels in, zoals het hem past. Teeuwen maakt de regels zelf. In zijn vorige programma's speelde hij een reeks personages wier hardhandige logica tot het uiterste was doorgeredeneerd. Nu staat hij op het toneel met niets meer dan een reeks losse invallen, een paar verschillende stembuigingen en meer liedjes dan voorheen. Er zit zelfs een titelnummer tussen – dat had hij nog nooit eerder gedaan.

Hij is grof in de bek en zegt dan verontschuldigend dat hij nu eenmaal een romanticus is. Hij zegt temend dat je je als cabaretier niet moet afzetten tegen collega's en zingt dan een liedje in een bijna obligaat cabaret-idioom over de vergane glorie van Freek de Jonge (,,pak me dan, als je kan, schele dominee'') en de ,,volkomen achterhaalde slappe VARA-romantiek'' van Youp van 't Hek. Hij fantaseert op vertederde toon over de uitvinding van fistfucking en roept de zaal op te bekennen dat het lekker is om blank te zijn. In een paar zinnen verklaart hij de wereldreligies tot gekkigheid en de Josti Band tot een gevaar voor de mensheid.

Soms zou ik willen dat hij, zoals eerder, weer tot de uiterste consequenties van zijn redeneringen zou gaan. Ditmaal laat hij de lijntjes veel sneller vallen om gauw weer over iets anders te beginnen. En dat is dan bijna elke keer iets waartegen ook ik geen verweer meer heb.

Voorstelling: Dat dan weer wel, door Hans Teeuwen. Gezien: 10/6 in de Kleine Komedie, Amsterdam. Inl. (020) 6164004, www.hansteeuwen.nl