Rechts moet via Europa uit kramp zien te komen

Juist nu centrum-rechtse partijen een gouden eeuw zouden moeten beleven, gaat het ze slecht en kunnen ze geen geloofwaardig politiek verhaal verzinnen. In plaats van de kaarten te zetten op populisme, zou rechts de kansen moeten grijpen die de Europese Unie biedt, vindt Ian Davidson.

Afgaand op de uitslag waren de Engelse verkiezingen niet erg spannend of verrassend. In de vier jaar dat de New Labour-regering van Tony Blair nu aan de macht is, heeft ze in de opiniepeilingen steeds een ruime voorsprong gehad. Toen Blair nieuwe verkiezingen uitschreef, sprak de overwinning al vanzelf. Toch brachten de verkiezingen nog wel meer aan het licht: niet alleen dat er problemen zijn binnen de Engelse politiek, maar dat er in de politieke stelsels in de gehele westerse wereld vergelijkbare spanningen heersen.

Gezien vanuit de Labour-partij waren deze laatste verkiezingen een toets van haar geloofwaardigheid als gewone regeringspartij. Bijna tachtig jaar was Labour hét politieke alternatief voor de Conservatieve partij en heeft ze die meermaals bij verkiezingen verslagen. Toch leek het normaler als de Tory's regeerden. De positie van Labour als buitenstaander werd onderstreept door het feit dat het nog nooit twee regeerperioden achter elkaar had volgemaakt.

Tot dusver. Labour heeft succes gehad doordat Tony Blair de onwrikbare linkse dogma's overboord heeft gezet. De traditionele socialistische wondermiddelen – nationalisering, prijsbeheersing, overheidsingrijpen – hadden in het verleden niet gewerkt, zouden dat naar verwachting in de toekomst ook niet doen en waren voor de kiezers dan ook niet geloofwaardig. Dus besloot Blair dat New Labour het principe van de marktwerking niet alleen maar zou aanvaarden, maar het zou omarmen.

Doordat Blair zijn economische beleid in een Tory-jasje hulde, bracht hij de tweeslachtige houding van de Conservatieve partij in Engeland aan het licht. Die tweeslachtigheid hebben tot nu toe vrijwel alle grote centrum-rechtse partijen in Europa met elkaar gemeen. In het openbaar komen ze met dynamische programma's voor modernisering, liberalisering en bekwaam economisch bestuur van de hele maatschappij en ontlenen daaraan hun legitimiteit; privé beloven ze hun vrienden de bevordering van deelbelangen en de handhaving van maatschappelijke voorrechten.

Zolang linkse partijen nog verdacht, ongeloofwaardig of zelfs semi-revolutionair leken, konden centrum-rechtse partijen hun innerlijke tegenstrijdigheden verbergen. Toen New Labour zich bekeerde tot de markteconomie, stonden de Tory's op het verkeerde been. Ze konden zich niet meer beroepen op hun traditionele rol als de partij van het betrouwbare economische bestuur, want de vier jaar dat New Labour aan de macht was zijn een toonbeeld van economische bekwaamheid en stabiliteit geweest, met hoge groei en lage inflatie.

Als gevolg daarvan schoof Hague, de Tory-leider, met zijn partij verder op naar rechts. Op binnenlands terrein was zijn belangrijkste beleidsvoorstel een omvangrijke belastingverlaging, met de duidelijke implicatie dat dit tot bezuinigingen op de publieke dienstverlening zou kunnen leiden.

Op buitenlands terrein was zijn programma uitgesproken xenofobisch: nee tegen deelname aan de euro, meer afstand tot de Europese Unie en een strenger beleid tegenover buitenlandse asielzoekers.

Het is niet zo moeilijk om parallellen te ontdekken tussen de Engelse Conservatieven en de Republikeinse partij in Amerika. President Clinton voerde gedurende acht jaar een geslaagde belastingpolitiek uit en in zijn regeringsperiode was er economische voorspoed. Dat deel van het centrum kon George W. Bush derhalve niet opeisen. In plaats daarvan schoof hij verder op naar rechts, met als voornaamste economische voorstel een grootscheepse belastingverlaging. Ook de standpunten die zijn regering inneemt inzake milieu, energie, defensie en buitenlands beleid zijn allemaal zeer rechts of puur op het eigen land gericht of beide.

Maar er zijn in Engeland en Amerika geen aanwijzingen dat ook de kiezers zo naar rechts zijn opgeschoven. Het verschil is wel dat George W. Bush het presidentschap op het nippertje heeft gewonnen, terwijl de nederlaag van William Hague onontkoombaar was.

Het dilemma in Engeland is hetzelfde als in elk West-Europees land: de partijen links van het midden schuiven op naar het centrum en aanvaarden de marktwerking, en daardoor verliezen de partijen rechts van het midden hun traditionele aanspraak om op grond van economische gematigdheid en gezond verstand te mogen regeren. Daarmee groeit de verleiding om van de weeromstuit verder naar rechts op te schuiven, ook al worden verkiezingen meestal in het midden gewonnen.

De campagne van William Hague werd beheerst door zijn roep om `het pond te redden' en niet aan de euro mee te doen. Maar niemand weet of Tony Blair wel aan de euro wil deelnemen, laat staan proberen er een referendum over te winnen. In de meeste peilingen blijkt een grote meerderheid tegen de euro. Het grappige is wel dat het grotendeels komt door de euro, direct en indirect, dat Engeland – net als andere EU-landen – is opgeschoven in de richting van vrije markten en fiscale discipline. Of Engeland nu wel of niet aan de euro meedoet, het beleid dat Labour heeft gekozen – privatisering, lage begrotingstekorten, lage inflatie en een onafhankelijke centrale bank – voldoet precies aan de vereisten die gelden als wel tot deelname mocht worden besloten.

De euro was dan ook een van de belangrijkste instrumenten om de centrum-linkse partijen in Europa op te schuiven naar het midden, of zelfs naar centrum-rechts. Maar van de weeromstuit is een aantal centrum-rechtse partijen in Europa weer verder naar rechts opgeschoven, en dan vooral in anti-Europese of nationalistische richting. Zo spelen de Duitse christen-democraten onder leiding van Angela Merkel steeds meer in op vreemdelingenangst.

In Italië lijkt ook de regering van Silvio Berlusconi aangetast door het populisme en de vreemdelingenangst van rechts. Net als William Hague en George W. Bush belooft Berlusconi het mes in de belastingen te zetten. Onder de euro-regels moeten de regeringen zich houden aan een strikte beperking van hun begrotingstekort en staatsschuld. De belastingverlaging die Berlusconi belooft zou al gauw wel eens op de beperkingen kunnen stuiten die in Europees verband zijn gesteld, en vermoedelijk leiden tot conflicten met andere regeringen in de euro-zone.

Het zou op dit moment een gouden eeuw voor centrum-rechtse partijen moeten zijn: de communisten en socialisten hebben zichzelf vernietigd, de vrije markt verspreidt zich even onverbiddelijk als de mondialisering en de welvaart wenkt. Hoe komt het dan dat rechts in deze schijnbaar ideale omstandigheden geen geloofwaardig politiek verhaal kan verzinnen – een verhaal dat een liberale overheid met een liberale economie verzoent? Dat zou in Europa toch niet zo moeilijk moeten zijn, want er is in het kader van de Europese Unie toch vast wel een antwoord te vinden. Maar tal van rechtse politici lijken liever hun toevlucht te nemen tot populisme, nationalisme en nostalgie.

Ian Davidson is verbonden aan het European Policy Centre in Brussel en columnist voor de Financial Times.

©Project Syndicate