Net mensen

Het voordeel van een e-mailadres onder je stukje is dat je meer reacties krijgt dan in de tijd van de postzegel. Meer en korter. Mensen slaken en verzuchten iets en drukken op send. Hartenkreten vol spelfouten, maar dat maakt ze sympathieker, spontaner. Er is geen reflectie of bedachtzaamheid aan te pas gekomen en als je eenmaal op send hebt gedrukt, kun je het niet meer ongedaan maken.

Wat niet wil zeggen dat ik altijd blij ben met de reacties. Ik plaats dat adresje onder deze rubriek natuurlijk uit ijdelheid: applaus dames en heren, laat horen hoe prachtig het is geschreven, hoe soepel en sfeervol van toon, hoe diepzinnig en verhelderend van inhoud.

Maar helaas: drie van de vijf briefschrijvers doen het om op je te kunnen schelden. ,,U hebt weer eens een vooroordeel bevestigd.'' Of: ,,Waarom probeert u de Indiërs belachelijk te maken?'' En deze: ,,Uw verhalen gaan altijd over u. Zou u niet eens een keer om u heen willen kijken?''

De hate-mail lees ik altijd twee keer, misschien op zoek naar een verborgen compliment en een vriend zei: de hele brief is een compliment. Als je iemand zo ver hebt gekregen dat die aan het schrijven slaat, is de missie volbracht.

Tja, het voelt anders. Het steekt, het is onterecht, die mensen kunnen niet lezen, verdorie, er zou een filter moeten bestaan om dit soort oprispingen tegen te houden, net als een antivirusprogramma.

Maar kritiek moet je serieus nemen.

Het bevestigen van vooroordelen: deze klacht is meestal afkomstig van mensen die eens in India of in een ander Aziatisch land zijn geweest. Dat schrijven ze er altijd parmantig bij: na een rondreis van een maand hadden zij `de waarheid' gezien en die bleek tegenovergesteld aan hun aanvankelijke vooroordeel. Dat is mooi. Het getuigt van een scherp oog.

Maar ze bedoelen eigenlijk iets anders: een slecht (voor)oordeel hebben ze vervangen door een goed oordeel. Wat de klacht dus eigenlijk wil bereiken is dat ik van nu af aan alleen aardige dingen meld over de mensen hier. Zoals je ook over kleuters niet mag zeggen dat er rotzakjes tussen lopen. Alle kleuters zijn lief, alle Indiërs zijn lief. Erger paternalisme bestaat niet.

Waarom ik de Indiërs belachelijk maak? Ik zou het anders zeggen: ik kan om ze lachen. Elke samenleving is een komedie en wie dat niet beseft kan er niet over schrijven. Zonder humor is er geen waarneming en mijn probleem is juist dat niet alle Indiërs even grote clowns zijn. Sommigen zijn ernstig, tragisch, boosaardig, wantrouwig, gemeen of hopeloos; net mensen.

Natuurlijk bega je zo nu en dan de fout grappen ten koste van machteloze mensen te maken: jij bent degene die over hen schrijft, en zij kunnen het zelf niet lezen, laat staan dat ze terug kunnen schrijven. Dat is een vervelende machtsverhouding. Soms ben ik in de stemming om die macht uit te oefenen, andere keren ben ik geneigd ook mezelf kwetsbaar te maken. Dan ben ik een clown te midden van de clowns, dat is het ideale evenwicht. Maar het lukt niet altijd. Wat niet wegneemt dat als je om mensen kunt lachen, je tenminste bereikt hebt ze als mensen neer te zetten.

Waarom de verhalen over mezelf gaan? Een makkelijk antwoord: over wie zouden ze anders moeten gaan? Maar dat is niet wat wordt bedoeld. Ik zou om me heen moeten kijken, in de huid van de ander moeten kruipen, de wereld laten zien zoals zij het zien.

Van alle mythen die er in omloop zijn over het journalistieke vak is deze wel de meest idiote. Het is zinloos en onmogelijk, kruipen in de huid van een reeds bestaande ander. Een romancier verzint die ander, van begin tot eind, maar de journalist staat nu eenmaal tegenover een persoon van vlees en bloed wiens leven hij niet heeft geleden. Hij heeft niet zijn of haar jeugd gekend, de eerste aanraking met liefde en geweld, met schoonheid, pijn, bedrog en ontroering. Hij doet maar alsof, als hij zegt dat hij in de huid van de ander is gekropen.

Het is bovendien zinloos, omdat je als journalist bemiddelt tussen de werkelijkheid en de lezer. Tussen object en subject, om het deftig te zeggen. Als je helemaal het standpunt van het object inneemt, snapt het subject, degene voor wie je schrijft, er niets meer van.

Als journalist wil je die twee, object en subject, ook niet met elkaar samen laten vallen. Anders geef je enkel de overeenkomsten aan tussen de mensen op aarde, en dat is misschien erg nobel, maar ook heel erg saai. Mensen moeten verschillen zien tussen zichzelf en de vreemden en ondanks of dankzij die verschillen om ze lachen.

Het beste is misschien om dat subject, de uiteindelijke lezer dus, maar helemaal uit het oog te verliezen. Doen alsof je zelf de enige lezer bent. Schrijven voor jezelf.

Dat is niet makkelijk en zelfs een tikje gevaarlijk. Je moet er namelijk voor kunnen zorgen dat je een beetje blijft lijken op de lezer. En dat is behoorlijk lastig als je in den vreemde woont. Je weet niet wat die lezer op de vaderlandse televisie ziet, je weet niet wat hij in de kranten leest, waarover hij praat als hij bij de bakker is, waarover hij roddelt met zijn vrienden in de kroeg. Vervreemding gaat bliksemsnel en er is weinig aan te doen. Op het internet de kranten in het thuisland bekijken, met een wereldontvanger luisteren naar de Wereldomroep, e-mailen met vrienden, het weegt niet op tegen de kletspraat bij de bakker.

Het is dus een flink risico als je als journalist in den vreemde doet alsof je voor jezelf schrijft. Dat risico is te verkleinen als je steeds naar de verschillen zoekt tussen jezelf en de vreemdelingen waar tussen je verkeert. Met als gevolg dat je hen leert kennen door jezelf te onderzoeken: hoe gedraag ik mij, hoe denk ik erover, hoe zou ik reageren. Je schrijft dus niet alleen voor jezelf, maar tenslotte ook over jezelf. Dat vinden sommige mensen storend, maar het heeft een logica.

ramdas@nrc.nl