Vrij werk

IN DE ASPERGEMAANDEN mei en juni kun je ze in het land zien staan: Polen die hier hun geld verdienen met het steken van de geliefde voorjaarsgroente. Zeker bij de huidige krapte op de arbeidsmarkt is er bijna geen autochtoon te vinden die het tijdelijke en fysiek belastende werkje wil verrichten. Vroeger werd er nog wel eens schande van gesproken: dat Nederland met zijn vele duizenden steuntrekkers arbeiders uit het buitenland moest laten komen om de asperges te oogsten. Tegenwoordig niet meer. Daarvoor zijn tal van redenen, maar de belangrijkste is sinds vorige week vrijdag een formele. Werknemers uit de kandidaat-lidstaten van de Europese Unie die in Nederland willen werken, komen eerder dan voorheen in aanmerking voor een tewerkstellingsvergunning, zo heeft het kabinet besloten. Polen is een veelbelovend kandidaat-lid van de Unie, naast Cyprus, Malta, Estland en Hongarije. Iets minder `rijpe' kandidaten zijn Tsjechië en Slovenië. Voor Letland, Litouwen en Slowakije geldt dat ook, maar dan erger, en helemaal achter in de wachtkamer zitten Bulgarije, Roemenië en Turkije.

In de huidige Wet arbeid vreemdelingen staat dat werkgevers pas een werkvergunning krijgen voor een werknemer van buiten de zogeheten Europese Economische Ruimte – de EU aangevuld met Noorwegen, IJsland en Liechtenstein – als het ze aantoonbaar niet is gelukt iemand in eigen land dan wel binnen de Unie te werven. De wet noemt dit `prioriteitgenietend aanbod'. Door de kandidaat-lidstaten ook onder dit begrip te laten vallen, ontstaat een `derde trap' in de Wet arbeid vreemdelingen: eerst zoeken op de Nederlandse markt, dan binnen de Europese Economische Ruimte en vervolgens kijken bij de aspirant-EU-leden. Als hun baas aan een paar voorwaarden heeft voldaan, zijn de Poolse aspergestekers dus officieel van harte welkom. Nu ook namens de regering en de Sociaal-Economische Raad, die eerder het (door het kabinet overgenomen) advies uitbracht over arbeidsmobiliteit. In dat advies staat kortweg dat belemmeringen voor arbeidsmobiliteit binnen de Europese Unie zoveel mogelijk moeten verdwijnen.

Het kabinetsbesluit moet in samenhang worden gezien met het complexe geheel van de uitbreiding naar het oosten en het vrije verkeer van werknemers. Deze twee dossiers hebben geleid tot een verhit politiek debat binnen de EU. Duitsland met zijn hoge werkloosheid is bezorgd over een mogelijk massale komst van Oost-Europese arbeidskrachten. Het nieuwe Berlijn mag dan gebouwd zijn door Poolse bouwvakkers, dat neemt de ongerustheid bij veel Duitsers niet weg over simpele zaken als: heb ik over een paar jaar mijn baan nog wel of wordt die ingenomen door een Tsjech? En: is er werk voor mijn kinderen als Polen lid wordt van de Europese Unie? Bondskanselier Schröder dringt nu aan op een overgangstermijn van zeven jaar, waarin een `flexibel' regime moet gelden voor werkvergunningen aan Oost-Europeanen.

NEDERLAND VINDT zo'n overgangstermijn ongewenst. De kwestie is hier, met tekorten op de arbeidsmarkt, op een andere manier urgent. Die paar Poolse aspergestekers zijn voor niemand een bedreiging, hooguit voor de nog lageren in de pikorde van het seizoenswerk: de illegalen. Maar weinig is zo veranderlijk als de arbeidsmarkt. Die kan snel omslaan. Nog maar een paar jaar geleden stond in Nederland, zoals nu in Duitsland, de werkloosheid hoog op de politieke agenda. Toen bleek trouwens hoe weerbarstig de praktijk is. Voor veel banen, meestal zwaar of onaangenaam werk, was ook destijds geen mens te vinden. De verleiding van een uitkering was te groot. In die zin past dankbaarheid jegens degenen die het vuile werk wèl willen opknappen.

Het is goed en overigens onvermijdelijk om vast te houden aan de Europese gedachte van vrij verkeer van arbeid. Maar voorbereiding op slechtere tijden en stijgende werkloosheid, gekoppeld aan een instroom van werknemers uit minder welvarende lidstaten, kan geen kwaad. Dit is geen xenofobe bangmakerij, maar toekomstig eigenbelang dat om beleid vraagt. De problemen zullen zich niet aan de bovenkant van de arbeidsmarkt voordoen. Die kent zijn eigen wetten. Het is de zwakke onderkant die het zal ontgelden: kleine baantjes in grote aantallen. En dus electoraal belangrijk. Wie vooruitziet, regeert.