Vliegtuig, visje

De correspondentie. `Het stukje over vlieghoogte trok mijn aandacht', schrijft lezer L.H. van den Raadt. `Volgens mij is het de eerste keer dat een stukje opnieuw ter sprake komt zonder aanwijsbare reden. Misschien word ik (te) oud.' Hij vervolgt zijn brief met de precisering van een wiskundige formule.

De zachte klacht slaat op de AW van 26 mei waarin geprobeerd werd middelen te bedenken om de hoogte van een passerend hinderlijk vliegtuig te schatten. Voor wie al wat ouder is leek deze aflevering misschien op een aflevering die een jaar eerder (29 april 2000) verscheen. Toen werd onderzocht op welke afstanden de gierzwaluw nog als zodanig is te herkennen. Het ging over de grootte van staafjes en kegeltjes in het netvlies en de projectie van een hoog vliegende zwaluw op dat vlies.

In de recentere AW ging het om het meten van de vlieghoogte. Dit is een opgave waarvoor men zich in de modelvliegtuigbouw ook geregeld plaatst, blijkt uit een brief van emeritus hoogleraar werktuigbouw dr.ir. W.M.J. Schlösser. Schlösser somde in april 1990 voor `HB modelbouw magazine' alle middelen op waarmee de afstand of de hoogte van een modelvliegtuig is te schatten. Veel methoden steunen op het gebruik van een geïmproviseerde theodoliet (een hoekmeter, zoals een sextant) en het soort goniometrie dat al even in de AW werd genoemd. Als de wolken laag hangen kan ook de hoogte van de wolkenbasis houvast bieden, en die basis is weer ruwweg te berekenen uit de vochtigheid en temperatuur op grondniveau. (En passant geeft Schlösser een oude tabel en formule voor het berekenen van de `herkenbaarheidsafstand' van vogels. Voor zwaluwen lijkt hij lager uit te komen dan AW destijds, niet 300 meter maar misschien eerder 200.)

Overigens blijken in de wereld van de modelbouw kant-en-klare kijkertjes te koop voor het bepalen van de afstand van een vliegtuig, één zo'n apparaatje is hier weergegeven. De van AW-wege voorgestelde `Jakobsstaf' waaronder een kleinschaalmodel van het vliegtuig heen en weer wordt geschoven is in Schlössers artikel terug te vinden als een telescopische kartonnen kijker met een soort objectief waarop vereenvoudigde vliegtuigafbeeldingen zijn aangebracht. Zie `Flug und Modelltechnik', mei 1980. Hier valt nog aan toe te voegen dat volgens lezer W.F.J Mörzer Bruyns al in de Tweede Wereldoorlog door Fidelty Engineering Co. een geperforeerd metalen plaatje werd gefabriceerd waarmee men ook al vliegtuigafstanden kon schatten. Met behulp van een touwtje, dat om de hals ging, werd het plaatje op een speciale afstand van het oog gebracht en daarna moest het vliegtuig met een opening tot dekking worden gebracht. In alle gevallen moet het type vliegtuig of zijn afmetingen bekend zijn.

Primair ging het Schlösser in zijn brief om de oorsprong van de methode waarbij de hoogte van een laagvliegend vliegtuig wordt afgeleid uit een foto. Daar ging het Van den Raadt ook al om. De methode blijkt in 1988 te zijn bedacht door dr. J. de Vlas, destijds in dienst van het Consulentschap natuur, milieu en faunabeheer. De formule werd gecontroleerd en verfijnd door de Groningse hoogleraar dr. B.L.J. Braaksma en bovendien door Van den Raadt.

Een stukje dat, zeker voor de oudere lezer, ook nogal op dat over de vliegtuighoogte leek was de AW van 28 april waarin tips werden gegeven voor het winnen van ballonwedstrijden. Bijna alle ballonnen komen aan hun eind doordat ze op grote hoogte knappen, werd er beweerd, maar een lezer in Bunnik vond in Bunnik een ballon, opgelaten door Adriana Alvarez Reyes in Rotterdam, die niet was geknapt maar leeggelopen. Geland na een tocht van nog geen 55 kilometer: het kan niet anders of deze ballon liep voor of tijdens het vertrek een lek op. Een gezonde ballon komt niet binnen een uur terug.

Lezer F. Reeskamp bedacht een heel originele methode voor het halen van recordafstanden in het feestballonvliegen: de ballon in de ballon in een netje. Hij friemelt twee ballonnen (Durex-condooms hebben zijn voorkeur) in elkaar en vult de binnenste met ammoniak en de buitenste met helium. Het ruimvallende mandarijnennetje om de buitenste moet het knappen verhinderen, dat is sowieso een gouden idee. Het geheel laat hij door een derde, tot berstens toe met helium gevulde ballon omhoogtrekken. Als deze aandrijfballon knapt, zijn de resterende twee voldoende opgezwollen om de reis op eigen kracht te vervolgen. Daarna treedt een fijn samenspel op tussen de concentrische ballonnen waarin het condenseren van de ammoniak de hoofdrol speelt. Of het allemaal praktisch doenlijk is is de vraag, theoretisch is het zeker leuk. Tezijnertijd meer.

Van de condooms is het een kleine stap naar het nieuws dat parasitoloog dr.J.J. Mellink ons brengt. Het betreft het candiru-visje dat hier in een bespreking van de SAS Survival Guide ter sprake kwam. De candiru (formeel: Vandellia cirrhosa) is een klein parasitair meervalletje uit het Amazone-gebied dat andere vissen binnendringt via de kieuwspleten en zich dan in de kieuwen vastzet om daaruit bloed te zuigen. Maar ook is het, let op, een gevaar voor naakt badende mensen, zeker voor naakt badende mensen die tijdens het naakt baden urineren. Het visje is urinofiel: het zoekt de bron van de urine die het gewaar wordt en komt al doende en ongetwijfeld ook tot eigen ongenoegen makkelijk vast te zitten in het urinekanaal. Vaak steekt het staartje nog naar buiten, maar daaraan trekken is niet raadzaam. In feite helpt niets behalve een scherp mes.

In de betreffende AW is het candiru-gevaar afgedaan als een `urban legend', een broodje aap, mede op gezag van publicaties op internet. Als de herinnering niet bedriegt komt ook reisschrijver Redmond O'Hanlon (`In trouble again') tot die conclusie. Maar nu heeft Mellink toch een artikel gevonden waarin de kwestie serieus wordt genomen. Het is van de hand van ene J.L. Breault en werd in 1991 gepubliceerd in de Journal of Wilderness Medicine (vol.2, pagina 304). Er wordt op één obscure plaats op internet naar verwezen. Maar het betreffende tijdschrift is niet opgenomen in de biomedische databank PubMed en de enige andere J.L. Breault die internet kent werkt aan neutrino's en muonen. Voorlopig blijft de twijfel.