UIT DE KAMER, VOOR DE KLAS

Nu pas ziet oud-Kamerlid Ton de Kok, (cda), waar `het handvol monomane specialisten' al die tijd mee bezig was. In een ongewone aflevering van de serie over onderwijsspecialisten in de Kamer beschrijft hij zijn ervaringen voor de klas.

Een aardrijkskundeleraar? Even Duits erbij nemen? Op een atheneum? De motivering was onthutsend simpel: een leraar Duits was niet te vinden, de aardrijkskundeleraar kwam veel in Duitsland, dus moest hij maar Duits gaan geven. Neem een slavist, riep ik uit, die heeft tenminste taalkunde gedaan en een taal is een taal! Mijn zoon, neerlandicus, die het tv-interview ook zag, vond mijn argumentatie niet geheel sluitend, maar stelde voor me via internet bij de vacature-bank voor docenten aan te melden.

Dit tafereel speelde zich af op vrijdagavond.

Maandagochtend, om 09.01, was de `bank' al aan de telefoon. `Slavist, zei u?' Geen probleem. Onderwijservaring? vroeg de `bank'. Twaalf jaar Kamerlidmaatschap, zei ik aarzelend. `Dat moet lukken', hoorde ik tot mijn verbazing. Ik kon `gisteren' beginnen en mocht kiezen uit drie vacatures: Duits, Nederlands en Frans. Het werd tien uur Nederlands op een mbo-opleiding (horeca).

Wat half als grap was begonnen, bracht me enkele dagen later – voor het eerst van mijn leven – in het front van 24 puberende leerlingen. Wat ik moest behandelen, diende `nog uit te kristaliseren', want er waren onlangs reorganisaties doorgevoerd. Ik kreeg alle ruimte voor `eigen creativiteit'. Maar men vertelde er wijselijk niet bij dat wie niet voor docent is opgeleid geen grondslag heeft voor eigen creativiteit, die heeft lesmateriaal, toets- en eindtermen nodig. Jammer, maar daarin kon nog even niet worden voorzien, `dat kwam wel goed'. Op charmante wijze offreerde de leiding van de school mij één nacht ijs. Ik waagde me erop.

Mijn eerste les draaide ik vanuit mijn arbeidservaring als Kamerlid. Alsof ik weer voor een zaal vol boeren stond, die ik de superheffing moest verkopen, ging ik van start: een frontale inleiding van een half uur en na de pauze `vragen'. Met die boeren toen, had ik geen problemen, maar hier moest ik na tien minuten het geroezemoes overstemmen, had ik alleen nog de aandacht van de eerste banken en na een half uur was ik het publiek volkomen kwijt. Men ging plassen als het zo uitkwam, liep voor me langs om een prop in de prullenbak te gooien, ging elkaars haar zitten vlechten of men greep naar het mobieltje; kortom: chaos.

Een wekenlange worsteling volgde. Natuurlijk mocht ik niet weglopen, maar ik kon eigenlijk toch ook niet aanblijven. Twijfel, wanhoop, koppigheid en plichtsbesef, dat waren de gevoelskaarten die ik moest uitspelen. Op vele wijzen en momenten werd me door de dames en heren de symbolische middelvinger getoond en ik accepteerde en ik incasseerde. Elke dag waren er weer nieuwe verrassingen. Gele kaarten uitdelen? Prachtig, maar dat werkt alleen als ook de rode volgt. En dan: alleen een scheidsrechter weet zeker dat de overtreder op 'n roje het veld verlaat; ik heb dat héél anders meegemaakt. Mijn verbale flexibiliteit, aangescherpt in het parlement, redde me dikwijls van een dreigende klassikale slachting.

Maar gelukkig had ik Tony, de docentenbegeleidster van de school. Zij was mijn didactische beschermengel. Aan haar kon ik iedere vrijdag de blauwe plekken tonen die ik die week had opgelopen. Zij verschafte mij dan balsem voor de ziel en twintig jaar ervaring aan praktische tips.

Nu, na een jaar, is de rust in mezelf teruggekeerd. Op een of andere manier slaag ik erin de ongemotiveerden en de etterbakken te `neutraliseren', waarschijnlijk mede doordat ik aan de andere leerlingen de kracht en het plezier ontleen om door te gaan. Uit hen put ik intrinsieke, haast existentiële voldoening als ik merk dat ik `iets' van mijzelf kan overdragen. Monique en Mohammed, Daan en Dung, zij zijn de vreugde van de zij-instromer: als dit soort leerlingen een goed gestructureerd verslag maakt, met verbazingwekkend weinig spelfouten, dan geef ik ze, me zeer verkneukelend, een vette 9, mét chapeau voor het mavo-onderwijs.

Wordt er door sommigen ondanks veel overgave van beide zijden toch een puintekst geproduceerd, dan probeer ik – in het besef van eigen beperktheid en de andersoortige begaafdheid van de leerling – mijn primaire reacties én het zo destructieve `rood' te minimaliseren. Begrijpend geef ik dan positieve adviezen in de kantlijn. Onvoldoendes krijg ik daarom ook maar nauwelijks uit mijn pen. De meeste leerlingen zijn immers prachtmensen! Maar, is het devies, don't be a softy, anders ga je ten onder. Met iedere maand die ik overleef stijgt dan ook mijn achting voor mijn collega's. Als er één cliché niet op zijn waarheidsgehalte wordt gehonoreerd, dan is het dat de leraar de last én de de toekomst van de samenleving draagt. Daarom – met een knipoog naar Voltaire – als er geen mooie optieregeling voor het onderwijzend personeel is, dan dient deze te worden uitgevonden.

Ik heb vele momenten van eenzaamheid gekend. Dat klinkt paradoxaal want de schooldag is gevuld met allerlei soorten intermenselijk contact. Maar toch: in de klas, daar sta ik alleen, daar `gebeurt het', daar word ik geconfronteerd met vierentwintig of meer karakters, daar raak ik aan zielen die getekend zijn door hun sociale of etnische afkomst, die gevormd of misvormd zijn, die de liefde uitstralen die ze ontvangen hebben of die verkild zijn door hun vermeende lelijkheid. Ik ben geen deel van de klas, niet een van hen, niet een van de komende maar van de gaande generatie. Maar juist dat geeft me een bijzonder zicht op hen. Ik zie wie de maarschalkstaf in de ransel heeft (ja, ook in het mbo!), wie het goed gaat doen en wie gewoon lekker het leven wil leven zonder de belastende behoefte het ook te willen begrijpen.

Kennisoverdracht is mijn opdracht, maar welke benadering moet ik kiezen? Moet ik kiezen, zoals de onderwijsgoeroe Hamechek aangeeft, voor teaching what I know of voor teaching who I am? Ik heb bewust voor het laatste gekozen. Het vak Nederlands leent zich daar binnen het mbo goed voor. Wat mij betreft kunnen de jongeren niet genoeg in kennis worden gesteld van de normen en waarden die wij in dit land gedurende vele eeuwen moeizaam hebben ontwikkeld.

Discipline, initiatief, verantwoordelijkheid, prestatie en wedijver, dat zijn de begrippen die ik daaraan graag koppel. Ze zijn niet versleten of van vóór de jaren zestig, ze zijn nog steeds cruciaal. Ik krijg dan ook geen afwerende reacties als ik ze de leerlingen `opdring'. En dit ondanks het feit dat ik als docent de tijd tegen heb. Het is immers feest in Nederland: `Alles kan, alles mag, we verdienen nu al een flinke zakcent en als we straks klaar zijn, plukken de werkgevers ons van de stoep', is onder de leerlingen de veelgehoorde inschatting van de werkelijkheid. Maar in persoonlijke gesprekken merk ik toch hoe kwetsbaar sommigen zijn. `Diep beneden' zit bij hen (nog) onbewuste twijfel, er smeult angst dat `het feest' voorbij gaat, dat er straks geknokt moet worden tegen witte en zwarte concurrenten, dat een redelijk bestaan niet per definitie iets Europees zal blijken te zijn.

Nu ik terugkijk op een jaar als zij-instromer, moet ik zeggen dat ik bevoorrecht ben deze ervaring te hebben mogen beleven. Onbevoegd en onbekwaam kreeg ik plotseling de gelegenheid wat van mijn levenservaring aan jongeren over te dragen en me aan hen te verrijken. Maar eigenlijk heb ik deze kans `te wijten' aan vele jaren wanbeleid op het terrein van Onderwijs. Ik draag daaraan als oud-Kamerlid ook een beetje schuld. Het hele onderwijsbeleid wordt in de Kamer gedragen door een handvol monomane specialisten die niemand op hun terrein dulden. De andere Kamerleden accepteren dat, zo werkt het immers in ons partijpolitieke systeem. Bij elke begrotingsbehandeling knikten wij in de fracties braaf `onderwijs is de basis van onze samenleving'. Nu, in de praktijk, ervaar ik op micro-niveau wat er de laatste twintig jaar is gebeurd. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat een sabbatical van een jaar of vijf voor alle Haagse beleidsmakers op onderwijs, de sector geen kwaad zou doen.

Ton de Kok was Tweede-Kamerlid van 1983 tot 1994, hij was er CDA-woordvoerder voor Defensie en Buitenlandse Zaken. In 2000 promoveerde hij op de 18de-eeuwse Russische schrijver Novikov.