TENNISELLEBOOG

Het artikel van Nienke van Trommel naar aanleiding van een onderzoek naar de zogenaamde tenniselleboog (`Rust als remedie', W&O, 26 mei) bevat een verwarrende passage.

De vermoedelijke anatomische oorsprong van de aandoening wordt correct beschreven als zijnde gezeteld in de aanhechting van de strekpezen der onderarmspieren aan een botpunt van de elleboog. Deze botpunt, de laterale epicondylus van de humerus is overigens een onderdeel van de bovenarm. Bij het knijpen en grijpen met de hand worden juist de strekpezen van genoemde spieren belast, aangezien de menselijke hand, om effectief te kunnen grijpen en vasthouden, een lichte strekstand moet aannemen.

De verwarring zit hem in de beschreven test bij lichamelijk onderzoek. Het is juist andersom, de onderzoeker vraagt de patiënt een vuist te maken of iets vast te grijpen waarbij de hand en de pols in lichte strekking komen te staan en vervolgens probeert de onderzoeker de hand en pols juist te buigen. Bij de meeste mensen die een tenniselleboog hebben wordt de pijn dan op bovenbeschreven plaats opgewekt, zeker als daarbij de elleboog ook nog eens gestrekt is. De strekkers van de hand en polsen grijpen immers boven het ellebooggewricht aan.

Ten slotte moet mij van het hart dat het spijtig is dat in een wetenschappelijk onderzoek gebruik gemaakt wordt van de effecten van ultrageluid. Voor zover mij bekend is, zijn de effecten van ultrageluid als behandelmethode bij aandoeningen van het steun- en bewegingsstelsel nog nooit wetenschappelijk aangetoond.

Overigens ben ik het met de strekking van het artikel en de conclusies van het onderzoek van harte eens. De tenniselleboog is een self-limiting disease, het geneesmiddel is geduld, hetgeen gratis en zonder bijwerkingen is.