Ruwe trekken

Uit het voorhoofd kunnen we de intelligentie aflezen. In het gebied tussen wenkbrauwen en onderlip worden het morele gehalte en de emoties vastgelegd. En uit kin en nek blijken de zinnelijkheid. Dit was zo ongeveer de wetenschappelijke vernieuwing van de Zwitserse theoloog Johann Caspar Lavater (1741-1801). Zijn `fysiognomie' ontcijferde Gods boodschap die in ieders gezicht stond te lezen, zo was zijn gedachte. Want als iedereen elkaars goede eigenschappen beter zou leren kennen, kon men elkaar beter liefhebben. Voorheen had de gezichtsleeskunde voornamelijk bestaan uit de vergelijking met dieren: `iemand met zo'n geitenkop moet wel dom zijn'. Maar Lavater ging daadwerkelijk schedels meten, en overgoot zijn esthetische vooroordelen met een meetkundig sausje. Een van zijn conclusies: `ruwe grove uitgestrekte lage trekken, van zo iemand is niets groots te verwachten'. Lavaters schoonheidsideaal was het `Griekse profiel'.

Terecht wordt deze episode `De hoop op weten' genoemd in de tentoonstelling Het hoofd ten voeten uit, die tot begin oktober te zien is in het Universiteitsmuseum Utrecht. Het Verlichtingsenthousiasme voor meten en onderzoek is duidelijk aanwezig bij Lavater, maar naar moderne maatstaven oogt de methodiek toch vrij willekeurig. Niettemin was de `meetkundige' fysiognomie aan het einde van de achttiende eeuw een groot succes. Er verschenen zelfs almanakken (`Lavater Portatif') zodat iedereen het karakter van zijn medepassagiers in de trekschuit verantwoord kon inschatten. Dat daarbij klassenvooroordelen domineren is weinig verrassend. `Hoe onderscheid ik boer van edelman', valt te lezen in zo'n almanakje. En de silhouettenmode vergemakkelijkte de analyses aanzienlijk: op die schaduwportretten waren de onbeweeglijke delen van het gezicht goed te bekijken – en in afwezigheid van de geanalyseerde.

Het is een fascinerende geschiedenis die in de catalogus uitvoerig wordt beschreven. Want in de fysiognomische mode werd de basis gelegd voor de nog veel grotere hype van de schedelmetingen en knobbelvoelerijen die de hele negentiende eeuw zou duren. Na Lavater kwam de Weense arts Franz Joseph Gall (1758-1828) die de frenologie stichtte: niet in het gelaat, maar uit de schedelvorm zouden intellect en karakter van de mens te herkennen zijn (aan deze theorie danken we nog altijd de uitdrukking `wiskundeknobbel'). En Gall, wiens eigen schedel op de tentoonstelling is te zien, had weer veel invloed op de opkomende psychiatrie in de negentiende eeuw.

De theorie van Cesare Lombroso (1839-1909) die meende dat doorlopende wenkbrauwen wijzen op misdadigheid (net als trouwens een bleke huid) wordt weinig meer aangehangen. De moderne wetenschap test nu karaktereigenschappen liever met vragenlijsten. Maar een andere geleerde wiens portret op de tentoonstelling hangt, is nog altijd actueel: Charles Darwin (1809-1882). Deze grondlegger van de evolutietheorie onderzocht óók de universele gezichtsuitdrukkingen van emoties en deze tak van wetenschap is de laatste decennia tot grote hoogte gebracht door de Amerikaanse psycholoog Paul Ekman. Zijn gezichtsanalyse poogt overigens precies het omgekeerde als de achttiende en negentiende voorgangers. Toen ging het om de determinatie van de individuele karaktereigenschappen op grond van anatomische kenmerken. Nu gaat het om universele `basisemoties' die bij ieder mens hetzelfde zouden zijn (boosheid, afschuw, vrees, vreugde, droefheid en verrassing).

Op de tentoonstelling hangen verder ook foto's afkomstig van recent onderzoek naar schoonheidsidealen. Een `gemiddeld gezicht' (samengesteld uit veel andere) vinden proefpersonen doorgaans het mooist. Wie zelf kijkt naar de foto's, kan er overigens gemakkelijk anders over denken, is mijn ervaring. Er blijkt zelfs een bedrijfje te bestaan dat personen analyseert op basis van een paar foto's die naar beoordelingspanels worden gestuurd.

Er is genoeg te beleven op de tentoonstelling. De opstelling waarin bezoekers elkaars silhouetten kunnen tekenen is zelfs erg leuk. En dat maar mondjesmaat informatie wordt gegeven over al de verschillende gezichtstheorieën is te billijken. Enorme borden met tekst zijn zelden aantrekkelijk en de uitgebreide catalogus (helaas zonder register) maakt veel goed.

Wetenschapsmusea moeten laveren tussen academisme en populisme, zo staat in de catalogus. Maar in het eerste gedeelte van de tentoonstelling is dat helaas niet gelukt. Vrij willekeurig lijkt daar te zijn geput uit een verzameling rare schedels en hoofden op sterk water. Er is zelfs een schoteltje te zien met de overblijfselen van een moderne crematie, inderdaad: stukjes bot. Wat dat met hoofden heeft te maken, is me een raadsel. Bijschriften zijn er amper of minimaal en soms zelfs fout (de helft van de serie `embryoschedels' bestaat uit kinderschedels met tanden, de leeftijden `1j' en `20m' staan zelfs met potlood op de voorhoofdjes geschreven).

Het begin van de tentoonstelling, totdat halverwege de theorieën over hoofden worden behandeld, is aldus een sensationeel rariteitenkabinet geworden zonder veel systematiek – nou ja, het zijn (bijna) allemaal hoofden. Al die gruwelschedels zullen wel een breder publiek trekken, maar populisme moest een wetenschapsmuseum nu juist vermijden.

Een ander onderdeel van de tentoonstelling dat er een beetje bijhangt, is veel sympathieker: tekeningen van hoofden door psychische gestoorden (de aard van de aandoening wordt meestal niet vermeld). In het Gentse museum Guislain hingen vorig jaar zalen vol met deze indringende tekeningen. De kleine selectie die aan de huidige tentoonstelling is toegevoegd, komt nu een beetje mager over. In het begeleidende tekstje wordt iets gezegd over een `oerbeeld' van het hoofd dat erop zou zijn te vinden. Maar de bezoeker valt vooral op dat de stijl nogal tijdgebonden is. Het zelfportret van Adolf Wölfli (1864-1930), die zich Sankt Adolf II noemde, heeft tenminste een duidelijke Jugendstil-inslag.

Het hoofd ten voeten uit. Universiteitsmuseum Utrecht, Lange Nieuwstraat 106 Utrecht. Internet: www.museum.uu.nl Open di-zo 11-17 u., tot en met 7 oktober. Van november tot juni volgend jaar in uitgebreidere vorm te zien in het Museum dr. Guislain te Gent. Drietalige catalogus (288 blz) ƒ52,50