Miljoenen mijnen verstopt in de bodem

Boeren kunnen hun land niet bewerken, nomaden hun vee niet laten grazen en burgers hun verwoeste huizen niet opbouwen – in Afghanistan zijn miljoenen explosieven verstopt.

De 45-jarige Fazel Karim Fazel (getrouwd, twee vrouwen, 14 kinderen) studeerde in Duitsland, werkte tien jaar voor Ericsson in Koeweit en staat nu aan het hoofd van een van de grootste ondernemingen in Afghanistan. Hij is oprichter van OMAR (Organisation for Mine Clearance and Afghan Rehabilitation). Hij heeft 600 werknemers in dienst en beheert een budget van ongeveer zes miljoen gulden per jaar.

Over de vraag naar werk – het opruimen van mijnen en explosieven – hoeft Fazel zich voorlopig niet druk te maken. Afghanistan is misschien wel het land met de meeste mijnen ter wereld. Miljoenen liggen er nog verstopt, vlak onder de grond of soms meters diep onder het puin van ingestorte gebouwen. Nog steeds stappen elke dag kinderen, boeren en vluchtelingen op een landmijn.

De mijnen zijn een erfenis van de Sovjet-bezetting. De meeste zijn van Russische makelij, maar ze zijn ook afkomstig uit vele andere landen. Na het vertrek van de Sovjet-troepen in 1989 zijn de mujahedeenfacties doorgegaan met het leggen van mijnen. En waarschijnlijk worden ze tot op de dag van vandaag gebruikt in de strijd tussen de Talibaan en noordelijke oppositie.

De afgelopen jaren is zo'n 200 km² aan mijnenvelden geruimd. Dat is naar schatting nog maar de helft tot eenderde van de `prioriteitsgebieden' die de Verenigde Naties in kaart hebben gebracht. In de jaren negentig daalde het aantal ongevallen met mijnen en explosieven van 25 per dag naar minder dan tien. Sinds vorig jaar stijgt dat cijfer weer, als gevolg van de nieuwe stroom vluchtelingen die wegens de droogte wegtrekken uit de hun vertrouwde omgeving.

Werk genoeg te doen dus, maar toch maakt Fazel zich grote zorgen. Net als andere organisaties is OMAR afhankelijk van buitenlandse donoren. En aan hun goedgeefsheid lijkt langzamerhand een einde te komen. Vorig jaar moest OMAR al bezuinigen en nu heeft de Europese Unie, met vier miljoen gulden de grootste financier, aangekondigd te stoppen. Via de Nederlandse hulporganisatie NOVIB, ook een donor van OMAR, heeft Fazel aan de bel getrokken. ,,Het zou een ramp zijn als de EU zich zou terugtrekken. Voor Omar, maar ook voor Afghanistan'', zegt hij mismoedig.

Abdul Gharm, vader van elf kinderen, ontvluchtte in het midden van de jaren tachtig het oorlogsgeweld in Herat, ooit door de VN op de lijst gezet van culturele erfgoederen, maar nu een door bombardementen en artilleriebeschietingen geschonden stad. In 1993 keerde hij vanuit Iran terug met zijn gezin, maar zijn huis lag, net als de omliggende woonwijk, in puin.

Voormalige slagvelden, zoals de woonwijk in Herat, zijn het werkterrein van OMAR. Dankzij de inspanningen van OMAR kon Abdul Gharm dit voorjaar eindelijk beginnen met de wederopbouw van zijn huis. Uit leem gevormde bakstenen drogen in de zon. Dertig meter verder is een rood lint gespannen: het ingestorte gebouw daarachter wordt nog afgegraven op zoek naar mijnen en granaten.

Het is levensgevaarlijk werk: sinds de oprichting van OMAR in 1992 zijn dertien mijnopruimers om het leven gekomen en raakten er tientallen blijvend invalide. Maar niet alleen mijnen vormen een gevaar: vorig jaar augustus werden zeven medewerkers gedood toen hun voertuigen op weg naar Herat werden bestookt met raketten. Dat was waarschijnlijk het werk van lokale milities, behorende tot de noordelijke oppositie.

De slachtoffers waren een chauffeur en zes `onderwijzers' die terugkwamen van een voorlichtingsbijeenkomst. OMAR ruimt niet alleen mijn-en, maar heeft ook tientallen instructeurs in dienst die in dorpshuizen, scholen en in vluchtelingenkampen uitleg geven over de gevaren van `de vlinder', de `suikerpot' en andere types explosieven. In het kamp Maslakh bij Herat zit een dertigtal kinderen op de vloer van een lokaaltje, en luistert aandachtig naar de uitleg van de instructeur. ,,We proberen ze te leren voorzichtig te zijn en van die spullen af te blijven'', zegt de onderwijzer. Op zijn verzoek voeren twee jongetjes een toneelspelletje op: de een wil een houten model van een antipersoonsmijn oppakken, de ander snelt toe trekt hem weg: ,,Niet doen! Dat is gevaarlijk.''

In de directe omgeving van het vluchtelingenkamp zijn alle explosieven opgeruimd, maar verderop langs de weg naar Iran wordt nog gewerkt in een mijnenveld. Het patroon van de vroegere vuile oorlog is duidelijk te herkennen. ,,Daar was een legerpost van de communisten'', wijst een medewerker van OMAR in de richting van de weg. ,,En in dat dorpje in de verte zaten de mujahedeen. 's Nachts beschoten de mujahadeen de Sovjet-militairen. Die hielden goed in de gaten waar het geweervuur vandaan kwam, en op die plekken legden ze de volgende dag mijnen.''

Het steppenlandschap is gemarkeerd met witte en rode stenen, die aangeven tot hoever het doorzoeken van het mijnenveld is gevorderd. De mannen van OMAR zijn gekleed in groenbruine camouflagepakken en dragen witte sportschoenen. De meesten hebben lange tijd in Pakistan gewoond als vluchteling, waar hun gezinnen nog verblijven. ,,Daar kunnen mijn kinderen tenminste nog naar school'', zegt één van hen.

Om zes uur 's ochtends zijn ze begonnen met hun werkzaamheden en om een uur of één zullen ze hun spullen weer inpakken omdat het dan te heet wordt onder de brandende zon. Centimeter voor centimeter tasten ze met hun verouderde metaaldectoren de grond af. Als er een signaal komt, woelen ze, liggend op de grond en met een helm op hun zwetende hoofd, met prikstokken voorzichtig de bodem los. Het werk vereist uiterste discipline; elk half uur worden de ploegen afgelost om concentratieverlies te voorkomen.

,,Dit is een heilige taak'', zegt ingenieur Naik Mohammad, het hoofd van OMAR in Herat, met een ernstig gezicht. ,,Met het opruimen van de mijnen beschermen we de mensen en leveren wij een grote bijdrage aan de wederopbouw van Afghanistan.'' De vraag is hoe lang nog.

(Laatste deel uit een serie over Afghanistan. De eerdere afleveringen verschenen op 15, 17, 25, 26 mei en 7 juni)