Met andere woorden

Als het zo uitkomt, verruilen Papoea's het ene woord voor het andere, of de ene taal voor de andere. Deze linguïstische flexibiliteit verklaart waarom er zo veel Papoea-talen zijn, maar ook waarom die taaltjes nu razendsnel verdwijnen.

In Nieuw-Guinea worden nog duizend verschillende talen gesproken. Dat is 15 procent van alle levende talen. Gemiddeld heeft een Papoea-taal slechts drie à vierduizend sprekers. ``Die mensen hebben altijd in kleine groepen geleefd'', legt taalonderzoeker Ger Reesink uit. ``Ze wonen vaak in moeilijk begaanbaar terrein en hebben weinig contact met andere groepen. Dan kunnen talen zeer snel uit elkaar groeien.''

Ger Reesink heeft, samen met Lourens de Vries en andere gespecialiseerde onderzoekers, de talen van de Vogelkop, het noordwestelijke schiereiland van Nieuw-Guinea, in kaart gebracht. ``Het gaat om twintig talen, in een gebied waar 180 duizend Papoea's wonen. Toen we in 1993 begonnen, was dat nog helemaal wit op de taalkundige kaart. Er waren alleen wat woordenlijstjes van vijftig of honderd basiswoorden. Veel meer wisten we er niet van.''

De Vogelkop, dat in de Indonesische provincie Papua (voorheen Irian Jaya) ligt, is de afgelopen decennia overspoeld met Javaanse kolonisten, er wordt olie gewonnen, hout gekapt en naar mineralen gezocht. ``Maar in het binnenland vind je nog veel traditionele gehuchtjes'', vertelt Reesink. ``Dingen als westerse kleding, radiootjes, batterijtjes en blikjes vis zijn ook daar doorgedrongen, maar verder is het nog behoorlijk traditioneel.''

Reesink beschreef zelf drie talen die in het bergachtige oosten van de Vogelkop gesproken worden en vergeleek ze met twee andere talen uit dat gebied. Men zou verwachten dat deze talen familie van elkaar zijn: dat de woordenschatten op elkaar lijken, maar dat ze syntactisch van elkaar verschillen, zoals bijvoorbeeld het geval is bij het Nederlands en het Duits (verwante woorden, maar het Duits heeft bijvoorbeeld naamvallen). Bij deze Papoea-talen bleek het precies andersom te zijn: ze hebben dezelfde syntactische bouw, maar gebruiken heel andere woorden.

``We hebben hier waarschijnlijk te maken met we in de linguïstiek een Sprachbund noemen'', zegt Reesink. ``Het is niet zeker dat deze talen aan elkaar verwant zijn, maar het is duidelijk dat ze eeuwenlang naast elkaar hebben bestaan en elkaar hebben beïnvloed. Daardoor zijn ze syntactisch naar elkaar toe gegroeid, ze hebben dezelfde structuur gekregen. Die wordt door iedere groep met een eigen woordenschat ingevuld.''

huwelijken

Reesink denkt dat interlinguïstische huwelijken hierin een cruciale rol gespeeld hebben. De clans hadden weinig contact met elkaar, maar waren voor hun huwelijken aangewezen op elkaars vrouwen, die volgens bepaalde gebruiken werden uitgewisseld, of soms ook geroofd. ``Wat krijg je dan? Die vrouwen nemen hun taal mee. Hun kinderen groeien op met twee talen: die van de moeder en die van de vader. Als er veel van die kinderen zijn, kunnen ze onder elkaar een mengtaal ontwikkelen, door de de structuur van de ene taal te combineren met de woorden van de andere taal. Als zich dat eeuwenlang herhaalt, werkt het op den duur convergerend. Vergeet niet dat we hier praten over heel kleine gemeenschappen, waarvan die vrouwen en kinderen misschien wel eenderde deel uitmaakten.''

Het verrassende in de oostelijke Vogelkop is dat die talen alleen op syntactisch gebied naar elkaar zijn toegegroeid. Op het lexikale vlak is er juist sprake van een sterke divergentie. Daar heeft Reesink geen ondubbelzinnige verklaring voor. Hij noemt een paar factoren die mogelijk een rol gespeeld hebben: ``Als er niet veel alledaags contact is, kunnen talen ook weer heel snel uit elkaar groeien. Veel sneller dan wij in Europa geneigd zijn te denken. Een andere mogelijke factor is het woordtaboe, dat in Nieuw-Guinea wijd verbreid is. Het komt bijvoorbeeld vaak voor dat woorden die lijken op de naam van een overledene, niet mogen worden uitgesproken.''

Collega-onderzoeker Lourens de Vries komt het woordtaboe ook regelmatig tegen: ``Soms is het contact met de schoonmoeder taboe. De man mag haar niet in de ogen kijken, niet met haar in dezelfde ruimte zijn. Ook mag hij haar naam niet uitspreken. Voor alle zekerheid vermijdt hij dan alle woorden die daar maar enigszins op lijken. Daar moeten nieuwe woorden voor bedacht worden. Deze obsessie voor verboden woorden kan, als hij maar groot genoeg is, leiden tot ingrijpende verschuivingen in de woordenschat.'' Reesink: ``Daarnaast bestaan er ook geheimtalen, die ze gebruiken als ze gaan jagen, vissen of vechten. Ze willen voorkomen dat de geest hoort waar ze het over hebben. Die geheime woorden kunnen op gegeven moment naar de gewone taal verhuizen, waardoor er voor de geheimtaal weer nieuwe woorden verzonnen moeten worden.'' De Vries: ``Mannen hebben ook de neiging hun rituelen voor vrouwen af te schermen. Om te voorkomen dat vrouwen de heilige woorden horen, nemen ze soms hun toevlucht tot lexikale omkering: in plaats van land zeggen ze water, in plaats van vrouw zeggen ze man, etcetera.''

Zo kan de woordenschat van een Papoea-taal heel snel veranderen. Reesink: ``Ik was bezig met het Mansim, een taal die nog maar door vier mensen passief gekend wordt. Hun woord voor zon was prow. Ik vertelde dat later aan een spreker van het Hatam, een taal die nog wel door duizenden mensen gesproken wordt, en die zei: Hé, dat is grappig: ons oude woord voor zon was ook prow, maar tegenwoordig zeggen we mpiab.''

Lourens de Vries bestudeerde de talen van het zuiden van de Vogelkop. ``Een drassig, moerassig gebied'', vertelt hij. ``Je kunt er alleen met de boot komen. Je gaat de rivier op en als je een steigertje ziet met wat huizen, stap je uit. Je neemt een paar honderd woorden op, blijft een nachtje, noteert wat zinnetjes.''

De Vries ontdekte dat er in dit gebied nog zes Papoea-talen waren, waarvan er een nog door zesduizend mensen gesproken werd. De andere talen hadden elk rond de duizend sprekers. Ook deze taaltjes vertoonden grote lexicale verschillen: ``De lexicale correspondentie was in het gunstigste geval 25 procent.''

Een van de zes, het Inanwatan, werd door De Vries uitvoerig bestudeerd en geanalyseerd. ``Toen ik mijn tekstcorpus verzamelde, bleek dat het ontzettend veel Maleis bevatte. Heel verrassend. Ik had niet verwacht dat het Maleis al zo diep was doorgedrongen in een streek die als sociaal-economisch achterlijk te boek staat. Ze hadden allerlei woorden aan het Maleis ontleend, maar deden vooral ook massaal aan code mixing: ze gingen voortdurend heen en weer tussen het Inanwatan en de lokale variant van het Maleis. Zelf noemden ze het `springen'.''

De Vries: ``Als er zoveel code mixing plaatsvindt, betekent dat meestal dat een taal gedoemd is te verdwijnen. Terwijl de oudere generatie het Inanwatan nog volledig beheerst, spreken de dertigers voornamelijk Maleis, met wat Inanwatan erdoorheen. Er is dus sprake van generationele erosie. Als die eenmaal flink heeft ingezet, rolt dat gewoon door en sterft zo'n taal.''

De Vries heeft de indruk dat de Inanwatan-Papoea's zelf niet zoveel waarde hechten aan de talen die zij spreken. ``Ze ontlenen hun identiteit niet aan de taal, maar aan de clan: het bloed van de clan en de grond van de clan.'' Taalgrenzen en clangrenzen komen in Nieuw-Guinea vaak niet met elkaar overeen: soms wordt dezelfde taal door verschillende clans gebruikt, soms circuleren er binnen dezelfde clan verschillende talen. Meertaligheid is bij de Papoea's dan ook heel gewoon: ze spreken vaak drie of vier talen. Doordat de contacten met de omringende clans voortdurend fluctueren, is die meertaligheid ook steeds aan verandering onderhevig. In het verleden heeft dat een enorme linguïstische diversiteit in de hand gewerkt. Tegenwoordig leidt het er, paradoxaal genoeg, toe al die taaltjes snel verdwijnen, doordat men heel gemakkelijk overstapt op het Maleis.

raadsel

Hoe de duizend talen van Nieuw-Guinea met elkaar samenhangen, is een raadsel. Tweehonderd behoren er tot de de familie van de Austronesische talen, die zich uit Zuid-China over heel Indonesië verspreid heeft. Deze talen zijn duidelijk verwant aan elkaar en stammen af van een Austronesische proto-taal van vierduizend jaar geleden. De overige achthonderd daarentegen vormen een zeer heterogene, raadselachtige groep die, bij gebrek aan een betere term, de groep van de `niet-Austronesische' talen genoemd wordt. ``De Vogelkop is in dit verband heel interessant'', zegt Reesink. ``Het ligt op de grens van de Austronesische en de niet-Austronesische wereld. De talen die er gesproken worden weerspiegelen die botsing. Het zijn van oorsprong waarschijnlijk niet-Austronesische talen, maar ze hebben ook allerlei Austronesische trekjes.''

Vermoed wordt dat de niet-Austronesische talen teruggaan tot een of meer proto-talen van minimaal negenduizend jaar geleden. Het is onmogelijk die nog te reconstrueren. Wel is het mogelijk te onderzoeken hoe de talen van Nieuw-Guinea elkaar meer recent beïnvloed hebben, als gevolg van handel, huwelijken, migratie of overheersing.

De talen van de Vogelkop zullen daarom binnen het Spinozaproject Lexicon and syntax van Pieter Muysken worden vergeleken met die van de aangrenzende Molukken, waar eeuwenlange handelscontacten mee bestaan. Reesink en De Vries vermoeden dat er in dit gebied nogal wat linguïstische kruisbestuiving heeft plaatsgevonden. Het vervolgonderzoek sluit mooi aan bij een nieuwe trend in de vergelijkende taalwetenschap. Taalgebieden waarin nog heel veel, heel verschillende talen gesproken worden, zoals Nieuw-Guinea, Australië (200 talen) en het Amazonegebied (300 talen), lenen zich niet voor de traditionele benadering waarbij al die talen herleid moeten worden tot proto-talen – zoals bijvoorbeeld gebeurd is bij de Indoeuropese talen. De traditionele benadering gaat uit van linguïstische divergentie: proto-talen, die zich hebben opgesplitst in verschillende talen, die zich vervolgens op hun beurt ook weer hebben opgesplitst. Etno-linguïsten als William Foley en R. Dixon wijzen er echter op dat talen ook naar elkaar toe kunnen groeien, als gevolg van eeuwenlang contact. Reesink: ``Talen kunnen, ook als ze niet genetisch verwant zijn, allerlei dingen van elkaar overnemen. In de algemene taalwetenschap hebben jarenlang allerlei ideeën bestaan over wat een taal wel en niet van een andere taal kan overnemen. Dat is de laatste jaren geweldig in beweging geraakt. We komen er steeds meer achter dat talen vrijwel alles van elkaar kunnen overnemen.''

Volgens de nieuwe inzichten is de talenrijkdom van Nieuw-Guinea het product van een zeer complex proces, waarin divergentie en convergentie elkaar voortdurend afwisselen: talen kunnen soms heel snel uit elkaar groeien, om vervolgens, als de omstandigheden daartoe uitnodigen, even gemakkelijk allerlei dingen van elkaar over te nemen.