Londen 1851

Hoe sterk de oude kampioenen speelden en hoeveel geld ze verdienden kunnen we bij benadering leren uit de verslagen over het eerste moderne internationale schaaktoernooi, dat anderhalve eeuw geleden in Londen werd gespeeld van 27 mei tot 12 juli 1851.

Het was geen toeval dat het viel in het jaar van de Londense wereldtentoonstelling, die naar ieders oordeel een nieuwe tijd van ongekende voorspoed en wetenschappelijke vooruitgang zou inluiden. De schakers konden niet achterblijven.

De Duitser Adolf Anderssen, die het toernooi zou winnen, schreef in Londen een brief aan het thuisfront in Breslau waarin hij zijn reis beschreef met de nauwkeurige prijsbewustheid die hem als solide gymnasiumleraar betaamde. In Brussel had hij in een schaakcafé op het Muntplein om een halve frank per partij gespeeld, maar over franken willen we het nu niet hebben.

In Dover dronk hij een kop koffie die hem het exorbitante bedrag van 1,5 shilling kostte. Een kaartje voor de sneltrein van Dover naar Londen kostte 22 shilling. In Londen bracht een taxi bracht hem voor 3,5 shilling naar een schaakcafé, waar sterke spelers een shilling verdienden met een gewonnen partij. We krijgen de indruk dat de koopkracht van een shilling tussen vijf en tien moderne guldens lag.

De bekende schaker Harrwitz vertelt Anderssen dat het toernooi niet veel voorstelt en dat zijn club en hijzelf er niets mee te maken willen hebben. Het toernooi was georganiseerd door de St. George-club, Harrwitz was lid van de Westminster-club en er was veel haat en nijd tussen die twee clubs, maar dat wist Anderssen nog niet.

Harrwitz bemiddelt bij het huren van een kamer die Anderssen deelt met zijn landgenoot Mayet. Ze betalen de man zes shilling per week, en nu lijkt een shilling opeens veel meer waard. In een restaurant kost de maaltijd zes shilling. De shilling lijkt weer tegen een tientje te liggen.

Later ontmoeten ze twee leden van de St. George-club, Horwitz en Staunton, de onofficiële wereldkampioen die door een tijdgenoot werd beschreven als `een man die op krachtige schouders een hoofd draagt waarop het denken zijn sporen heeft achtergelaten'.

,,Staunton!'' roept Anderssen tegen Mayet uit als hij de Engelse schaakheld herkent van de gravures, en die toont zich gevleid en hartelijk. Later zal hij in het toernooiboek doen alsof Anderssen het toernooi alleen kon winnen doordat hijzelf ziek was.

Een nieuw onderkomen wordt betrokken, een appartement waarin vijf schakers, Anderssen, Mayet, Horwitz, Szén en Löwenthal, elk elf shilling per week moetbetalen voor drie kleine slaapkamertjes en een gemeenschappelijke woonkamer. Hier is de shilling toch weer minstens twintig gulden waard, maar laten we de koopkracht voor het gemak bescheiden op een tientje houden.

Anderssen moet vijf pond inleggeld betalen, dat is honderd shilling, zeg duizend gulden. Erg netjes was dat niet van de Engelse organisatoren. De Engelse deelnemers hoefden niet te betalen, evenmin als buitenlanders die een dure reis hadden moeten maken. Was Breslau niet ver genoeg? Waarschijnlijk was de vrijstelling van inleggeld die het reglement beloofde slechts een vergeefse poging geweest om de vermaarde St. Amant te lokken, die in Californië was.

Maar eind goed, al goed. Anderssen wint het toernooi en de eerste prijs van 183 pond, 6 shilling en 8 pence. Als je de shilling op een tientje houdt, is het in moderne termen tegen de zevenendertig duizend gulden. Niet slecht. Je zou aan een carrière als beroepschaker kunnen denken.

Anderssen deed dat niet. Hij bleef nog een tijdje in Londen en speelde in het café onder meer de `onsterfelijke partij' tegen Kieseritzky, en werd toen weer leraar Duits en wiskunde in Breslau.

Op doorreis in Berlijn werd hij op een groot feest tot `schaakkeizer' gekroond. Zijn overwinning in Londen baarde in heel Duitsland veel opzien en werd beschouwd als een teken dat in de nieuwe wetenschappelijke tijd Duitsland de leidende rol van Engeland had overgenomen.

En hoe sterk schaakten ze nu anderhalve eeuw geleden? Ook als je er rekening mee houdt dat ze de moderne openingstheorie niet kenden, valt het tegen. Als ze hun stelling hadden konden ze er goed mee omgaan, maar een partij uit één stuk waarin zowel de winnaar als de verliezer sterk voor de dag komen, heb ik niet kunnen vinden.

Wit Szén-zwart Anderssen, kwartfinale, vierde partij.

1. e2-e4 c7-c5 2. Pg1-f3 Pb8-c6 3. Pb1-c3 e7-e6 4. Lf1-c4 a7-a6 5. a2-a4 Pg8-e7 6. Dd1-e2 Pe7-g6 7. d2-d3 Lf8-e7 8. Lc1-e3 Een zet die niets nuttigs doet en zijn loper in gevaar brengt. 8...0-0 9. 0-0 f7-f5 10. e4xf5 Tf8xf5 Dreigt stukwinst met 11...d5 11. Pc3-b1 b7-b6 12. c2-c3 Lc8-b7 13. Pb1-d2 Dd8-c7 14. d3-d4 Pg6-f4 15. De2-d1 Beter was meteen 15. Lxf4 15...Ta8-f8 16. d4xc5 b6xc5 17. Le3xf4 Dc7xf4 18. Tf1-e1 Pc6-e5 19. Lc4-e2 Tf5-g5 20. Kg1-f1 Pe5-g4 Aardig aanvalsspel, maar simpel 20...Dg4 had een stuk gewonnen. 21. h2-h4

21...Df4-h2 De inleiding tot een mooi torenoffer, maar later vond men dat een ander torenoffer, 21...Ph2+ 22. Kg1 Txg2+, tot mat zou hebben geleid. 22. Le2-c4 Dh2-h1+ 23. Kf1-e2 Dh1xg2 24. Pf3xg5 Le7xg5 25. h4xg5 Dg2xf2+ 26. Ke2-d3 Df2-f5+ 27. Kd3-e2 Df5-e5+ 28. Ke2-d3 Pg4-f2+ 29. Kd3-c2 De5-f5+ 30. Kc2-b3 Pf2xd1 31. Ta1xd1 Df5xg5 32. Lc4-d3 Tf8-f2 33. Pd2-e4 c5-c4+ 34. Kb3-a2 Lb7xe4 35. Ld3xe4 Dg5-a5 36. Td1-a1 Da5xc3 Zwart gaf op.

Wit Anderssen-zwart Staunton, halve finale, derde partij

1. e2-e4 e7-e5 2. Pg1-f3 Pb8-c6 3. d2-d4 e5xd4 4. Lf1-c4 Lf8-c5 5. 0-0 d7-d6 6. c2-c3 Pg8-f6 7. c3xd4 Lc5-b6 8. Pb1-c3 Lc8-g4 9. Lc1-e3 0-0 10. a2-a3 Dd8-e7 11. Dd1-d3 Lg4xf3 12. g2xf3 De7-d7 13. Kg1-g2 Pf6-h5 14. Pc3-e2 Pc6-e7 15. Pe2-g3 Ph5xg3 16. h2xg3 d6-d5 17. Lc4-a2 Ta8-d8 18. Ta1-d1 c7-c6 19. Tf1-h1 Pe7-g6 20. Th1-h5 d5xe4 21. f3xe4 Dd7-g4 22. Td1-h1 Td8xd4

23. Dd3-c3 Td4xe4 24. Th5xh7 Lb6xd4 25. Le3xd4 Te4xd4 26. Th1-h4 Pg6xh4+ 27. Th7xh4 Dg4xh4 28. g3xh4 Td4xh4 29. Dc3-g3 Th4-h5 30. f2-f4 Th5-b5 31. b2-b4 Tf8-d8 32. La2-c4 Td8-d2+ 33. Kg2-g1 Td2-d1+ 34. Kg1-f2 Tb5-f5 35. Dg3-g4 Zwart gaf op.