Latijns platteland

In de Romeinse tijd was de Bataafse plattelandsbevolking verder geromaniseerd dan gedacht, blijkt uit de verspreiding van zegeldoosjes.

In Nederland zijn zo'n tweehonderdtwintig Romeinse zegeldoosjes teruggevonden. Ze werden gebruikt om de zegels van brieven, geschreven op dichtgeslagen wasplankjes, tijdens het transport over lange afstanden te beschermen. Tot nu ging men ervan uit dat de zegeldoosjes vooral te maken hadden met de Romeinse legerplaatsen. Dat ligt voor de hand, want vanuit de Romeinse forten en versterkingen werd nogal druk gecorrespondeerd, onderling en met de hogere commandostructuren. En men sloeg alle correspondentie netjes op in archieven. Een recent onderzoek naar de verspreiding van zegeldoosjes in het Nederlandse rivierengebied, in de kern van de civitas Batavorum, levert echter een verrassing op. Zesentwintig stuks blijken afkomstig van de aan Hercules Magusanus gewijde tempel van Empel, en tachtig doosjes zijn gevonden in vijftig uiterst simpele, Bataafse plattelandsnederzettingen. De oudste dateren uit de tijd van keizer Augustus (27 v. - 14 na Chr.), het gros is uit de eerste en tweede eeuw. VU-archeologen prof.dr. Nico Roymans en dr. Ton Derks leiden daaruit af dat een belangrijk deel van de Bataafse gemeenschap het Latijnse schrift beheerste. Zij gingen de herkomst van de zegeldoosjes inventariseren nadat er bij recente opgravingen bij Tiel een groot aantal werd gevonden bij eenvoudige boerderijen.

``We hebben altijd gekeken naar inscripties op monumenten, om te zien hoe het schriftgebruik en de kennis van het Latijn verspreid raakten'', zegt Ton Derks. ``Maar daarmee krijg je alleen de elite in beeld. Je moest behoorlijk rijk zijn om dat soort inscripties te laten maken.'' Het perspectief op latinisering was dan ook top-down. Latijn kwam binnen via de elite die participeerde in Romeinse netwerken en in de loop van de tijd zakte dat dan langzaam naar beneden in de samenleving. Nico Roymans: ``En het zou een laagje vernis zijn gebleven. Wellicht kon degene die de steen betaalde de inscriptie wel lezen, maar de gewone man die daar langs kwam zou die tekst nauwelijks hebben kunnen begrijpen.''

De elite zal ook zeker het Latijn hebben beheerst. Zo is van Julius Civilis (leider van de Batavenopstand in 69/70) bekend dat hij zijn opvoeding in Keulen kreeg. En de Bataafse commandant Flavius Cerialis van het fort Vindolanda aan de Muur van Hadrianus schreef perfect Latijn. Dat blijkt uit zijn correspondentie, die door bijzonder gunstige conserveringsomstandigheden bewaard is gebleven. Maar volgens Roymans en Derks is dit dus niet het héle verhaal.

De latinisering van de gewone Bataven zal via dienst in het Romeinse leger zijn verlopen. Het gebruik van de zegeldoosjes in de kleine Bataafse dorpjes is bijvoorbeeld precies hetzelfde als in het Romeinse leger, aldus Roymans en Derks. ``Onder de Bataven werd bijzonder intensief voor de Romeinse hulptroepen gerekruteerd. Ze leverden negen cohorten, een afdeling ruiterij, de lijfwachten voor de Julisch-Claudische keizers. En dan zijn er nog de talloze Bataven die dienst deden in niet naar etnische afkomst samengestelde onderdelen. De rekrutering begon al vóór keizer Augustus. Uit vrijwel elk Bataafs huishouden is minstens één jongen in Romeinse dienst gegaan'', vertelt Roymans. ``Daar maakte hij kennis met het schriftgebruik en moest zich dat op de een of andere manier eigen maken. Om te kunnen functioneren, hogerop te komen of om contact met thuis te onderhouden.''

Dat in het Romeinse leger inderdaad naar huis werd geschreven blijkt uit onder meer de Vindolanda-brieven. Een inmiddels beroemd kattebelletje betreft de zending van sokken, sandalen en twee onderbroeken door familie van een Bataafse soldaat.

Als een soldaat zijn diensttijd overleefde, keerde hij na twintig of vijfentwintig jaar sterk geromaniseerd terug naar huis. ``Vanwege de intensiteit van de rekrutering en de lange geschiedenis daarvan, mag je ervan uitgaan dat in de eerste en tweede eeuw in alle Bataafse gezinnen wel één figuur rondliep die Latijn sprak en het kon lezen en schrijven. Voor een belangrijk deel blijkt de latinisering van de Bataafse gemeenschap hiermee dus ook een bottom up-beweging.''

Het Latijn dat Bataven in Romeinse dienst oppikten zal niet het Latijn van Vergilius en Cicero zijn geweest. `Legerjargon' vermoedt Roymans. Maar die taal raakt wel diep verankerd in de Bataafse wereld. ``Vergeet niet dat het om tweeëneenhalve eeuw ontwikkeling gaat'', zegt Ton Derks. ``En die trend werd door de Romeinen ondersteund en aangemoedigd. Het zal daarom erg snel zijn gegaan.'' Roymans en Derks verwachten eenzelfde patroon van latinisering bij andere groepen in het Romeinse grensgebied waaronder werd gerekruteerd. Bij de westelijker wonende Cananefaten bijvoorbeeld, al zijn er wel verschillen. ``Hun bevolkingsomvang was veel geringer dan die van de Bataven. Zij hebben voorzover bekend slechts één cohort en één ruiterafdeling geleverd. Het verspreidingsbeeld van zegeldoosjes zal daar zeker dunner zijn dan in de omgeving van Tiel. Een probleem is dat het bodemarchief op de plekken die de Cananefaten bewoonden, oeverwallen langs rivieren en kreken, nauwelijks toegankelijk is voor archeologisch onderzoek. Daar staat de glastuinbouw bovenop.''

In de loop van de derde eeuw hield het gebruik van zegeldoosjes langzaam op. De geromaniseerde bevolking trok waarschijnlijk weg als gevolg van Romeinse bestuurlijke zwakte en steeds intensievere Germaanse invallen. Die ontvolking zou volgens Roymans en Derks ook de reden zijn dat Nederlands geen Romaanse taal is, zoals het Frans of het Spaans. ``Het gebied raakte wel weer bevolkt, maar door Germaanse Franken'', zegt Derks. ``Wat de taal betreft werd toen als het ware met een schone lei begonnen. Er was geen groep meer die deze Romeinse erfenis kon doorgeven naar de Middeleeuwen.''