JONGE LERAREN 2

Het is verheugend over jonge en enthousiaste leraren te lezen met idealen op het gebied van onderwijs (`Wij zijn die jonge leraren! W&O, 19 mei). Als iemand, die ouder en `sadder and wiser' is wil ik er toch wat aantekeningen bij maken.

Het is goed om bij de uitgangspunten van het nationale onderwijsbedrijf te starten. Aan het hoofd staat de overheid en meer direct het department van het onderwijs. Dat departmenten heeft tot taak de vele miljoenen leerlingen op een redelijk ordelijke wijze onderwijs te verstrekken, dat voor de gemeenschap betaalbaar is. Bij alle eisen, wensen en verlangens van die gemeenschap is dat een loodzware taak. Het departement is ook bij voortduring aan het worstelen om die kosten niet uit de hand te laten lopen. Dat komt heel simpel neer op een continu streven om iedere docent zoveel mogelijk leerlingen bezig te laten houden. Hoe groter de scholen, hoe groter het aandeel klassen met dertig leerlingen. Daarentegen komen alle eisen, wensen en verlangens van de gemeenschap, hoe ook verpakt, altijd neer op kleinere klassen of groepen. Lom-scholen, gehandicapten, allochtonen, individuele aanpak, meer actief onderwijs, betekenen altijd kleinere groepen. En daarvoor zijn ze in Den Haag allergisch.

Modelmatig is ieder idee, ieder plan, iedere vernieuwing, die er op neerkomt dat er per taakuur minder leerlingen worden beziggehouden, op de lange duur gedoemd te mislukken of te verdwijnen. Dat is echt niet van dit ministerie, maar van alle voorbije en alle toekomstige tijden.

Het is goed idealistisch te zijn. Maar het is ook goed realistisch te zijn. Daarom is het een voorwaarde voor een zinvollere opzet om er een becijfering van de benodigde hoeveelheid docentwerk per leerling bij mee te nemen.