Falende overheid bewijst niet het gelijk van de markt

Wat aan beschaving is bereikt, is het resultaat van een immense krachtsinspanning. Wat in eeuwen is opgebouwd, mag niet in een of twee generaties afgebroken worden, meent de stichting `Stop de uitverkoop van de beschaving' in antwoord op de critici van het pamflet waarin de uitverkoop van de publieke sector werd gehekeld. Het falen van de overheid bewijst nog niet het gelijk van de markt.

De publicatie van het manifest `Stop de uitverkoop van de beschaving' op 1 mei in deze krant, heeft geleid tot een groot aantal reacties – lovende: ,,Eindelijk, het moest eens duidelijk gezegd worden'', en kritische: ,,De woorden `uitverkoop' en 'beschaving' zijn slecht gekozen, ze zijn te groot; het manifest miskent het feit dat juist de sectoren die bestierd worden door de overheid falen; de initiatiefnemers geven een vertekend beeld van `de markt', en de stichting heeft geen oog voor de civil society.''

Wat betreft het begrip beschaving bestaat geen eenduidige opvatting over wat daaronder moet worden verstaan. Wellicht is de omschrijving van de Engelse auteur T.S. Eliot bruikbaar. Hij beschouwde beschaving als een kwestie van mind, manners and language, ofwel van het collectieve bewustzijn, de sociale omgangsvormen en de taal van een samenleving.

Het collectieve bewustzijn richtte zich gedurende het grootste deel van de vorige eeuw vooral op het sociale, op dat wat mensen in deze samenleving gemeen hebben. Sinds de jaren tachtig overheerst echter een economisch zelfbeeld. Het politieke debat bestaat sindsdien voornamelijk uit monetaire vertogen, en de `dominante waarden' zijn die van economische rationaliteit en doelmatigheid.

Liberalen en sociaal-democraten zijn eensgezind van mening dat de BV Nederland zich moet conformeren aan de eisen die de nieuwe, economische wereldorde met haar vrijhandel, harde concurrentieverhoudingen en nadruk op geld en efficiëntie stelt. Sterker: Nederland betoont zich internationaal een warm pleitbezorger van vrijhandel en liberalisering. Dat deze nieuwe, economische wereldorde er onder meer toe leidt dat het aantal arme landen alleen maar blijft groeien, lijkt geen punt van overweging meer te zijn.

Om in de neoliberale wereldorde zo goed mogelijk voor de dag te komen, dienen we onze eigen samenleving primair te zien als een economische productie-eenheid. Of het nu gaat over de gezondheidszorg, het onderwijs, de kunst, de openbare ruimte, het vervoer, het recht, natuur en milieu, de veiligheid, of de media – beleid, wetten en regels worden vooral uitgedrukt in termen van efficiëntie en winst. Maar efficiëntie vandaag leidt niet zelden tot inefficiëntie morgen. `Winst' op één terrein leidt niet zelden tot `verlies' voor de samenleving als geheel.

Dat is zichtbaar voor hen die begrippen als rechtvaardigheid en solidariteit, gelijkheid en waardigheid, respect en ontwikkeling nog op waarde weten te schatten. Maar juist die begrippen lijken niet meer als vanzelfsprekend te horen bij de `moderne' mens, laat staan bij de `moderne' politicus en dito overheid. De vraag is hoe beschaafd dat is.

Het tweede element dat Eliot bepalend acht voor de mate van beschaving, de sociale moraal, wordt aangetast door de contractuele moraal die zo karakteristiek is voor de markt. De ontrafeling van de sociale moraal is merkbaar in het gewone intermenselijke verkeer, maar ook steeds meer in de publieke sector. Tot dagelijkse ergernis van de mensen die het echte werk in de publieke sector moeten verrichten, is er nauwelijks meer ruimte voor dat wat de sociale moraal bepaalt: professionele autonomie, beroepsethiek, loyaliteit aan de organisatie, affiniteit met het algemeen belang, en de bereidheid volgens morele maatstaven de zorg en aandacht te geven die de persoon of de publieke zaak verdienen en nodig hebben. Het wekt dan ook geen verbazing dat de publieke sector met ernstige personeelstekorten kampt.

Wat betreft het derde element in Eliots omschrijving van de beschaving, de taal, kan moeilijk ontkend worden dat aan de ene kant de taal verzakelijkt en aan de andere kant trivialiseert, waardoor het steeds moeilijker wordt om immateriële zaken als verlangen, gevoel, of het `grote' verhaal te verwoorden. De taal wordt in toenemende mate beheerst door technocratische begrippen als meetbaarheid, efficiëntie en resultaat. Zelfs over een gevoelig onderwerp als euthanasie wordt vooral in termen van procedures en toetsingsmomenten gesproken. Armoe is ook troef in de beeldtaal. De televisie lijkt zich steeds meer te richten op entertainment.

Met het gebruik van het woord `beschaving' willen wij aangeven dat de verontrustende ontwikkelingen op uiteenlopende maatschappelijke terreinen niet los van elkaar begrepen kunnen worden. Bepaalde ontwikkelingen raken – zo niet meteen, dan toch zeker op termijn – aan het fundament van onze cultuur, de beschaving.

Dan het gebruik van het begrip `uitverkoop'. In overdrachtelijke zin gaat het ons om de uitverkoop van waarden door de politiek, waarden als solidariteit en gelijkwaardigheid. Door onderdelen van de publieke sector jarenlang te krappe budgetten op te leggen, is er `betonrot in de pijlers van de samenleving' ontstaan – de beeldspraak is van Ad Melkert. De verschraling van de publieke sector heeft er toe geleid dat er steeds meer particuliere initiatieven komen die de vermogenden in staat stellen zich aan de gevolgen van die verschraling te onttrekken. Zo wordt de publieke zaak steeds meer overgeleverd aan de markt, en moeten begrippen als solidariteit en gezamenlijkheid wijken voor markttermen als concurrentie en eigenbelang.

In letterlijke zin doelen we met het begrip uitverkoop op de privatisering van nutsvoorzieningen. De heersende gedachte in de politiek is dat bijvoorbeeld een verzelfstandigde en later te privatiseren NS alles beter kan dan een overheidsbedrijf het zou kunnen. Als in de praktijk het tegendeel blijkt, moet dat wel liggen aan het feit dat er onvoldoende is geprivatiseerd en er niet genoeg marktwerking is. Meer aanbieders op het spoor maakt het vervoer inefficiënt en onnodig ingewikkeld voor de reiziger.

Dit alles betekent overigens niet dat de ondertekenaars van het manifest in alle gevallen tegen `de markt' zijn, zoals sommigen schijnen te denken. Markten zijn goed, mits werkzaam binnen een strikt en nauwgezet na te leven wettelijk kader dat de sociale en milieuvoorwaarden vastlegt. Maar marktwerking is ongewenst in sectoren waar zij onmiddellijk een inbreuk teweeg brengt op belangrijke sociale waarden, zoals gelijkheid als het gaat om toegang en kwaliteit.

Sectoren als zorg, onderwijs, openbaar vervoer en veiligheid lenen zich niet voor verzelfstandiging, privatisering en marktwerking, net zo min als het gevangeniswezen, de politie en de brandweer.

Sommigen werpen tegen dat juist in genoemde sectoren op dit moment de grootste problemen bestaan. Bewijst dat dan niet dat de overheid faalt? Dat klopt. Ons standpunt dat marktwerking in deze sectoren niet gewenst is, wil niet zeggen dat wij gelijktijdig moeten vinden dat de heersende politiek het góed doet. Integendeel. Achtereenvolgende kabinetten hebben de publieke zaak stiefmoederlijk hebben behandeld en zijn derhalve de hoofschuldigen voor de alom zichtbare verschraling, de wachtlijsten, de ontevredenheid van het personeel, de gegroeide impopulariteit van het werken in de publieke sector en het daarmee samenhangende schrijnende tekort aan personeel. Je kunt een slecht functionerende overheid natuurlijk `afschaffen' en vervangen door de markt, maar is het niet logischer om eerst eens goed na te denken over mogelijke verbeteringen? Er waren en er zijn immers goede redenen om genoemde sectoren niet over te leveren aan de markt.

Een aantal van onze critici meent dat de markt juist de oplossing is van al deze problemen. Je kunt je afvragen hoe het gesteld is met hun historisch besef, en waar zij de afgelopen jaren zijn geweest. De vrije markt kent niet alleen een onzichtbare hand die stuurt, maar ook een invisible foot die trapt – voorbeelden te over in eigen land en in de Derde Wereld.

Sommige critici vroegen zich af waar wij de civil society hebben gelaten. Te hunner geruststelling: De maatschappelijke verbanden zijn ongemeen belangrijk in onze samenleving. Desondanks moet dat belang in deze discussie niet worden overschat. Immers, als het gaat om de sectoren waar zich op dit moment de grootste problemen voordoen, is het de overheid die beslist over de wettelijke kaders en die bepaalt welke budgetten er beschikbaar zijn. Bovendien kan de civil society niet bloeien zonder mensen die zich ermee willen verbinden. Welnu, als de overheid burgers steeds voorhoudt dat het voortaan `ieder-voor-zich' is, dan moet men niet raar opkijken wanneer de burger ook steeds minder belangstelling heeft voor de organisaties en initiatieven die deel uitmaken van de civil society. Juist zij die zich druk maken over de maatschappelijke verbanden zouden moeten begrijpen dat wie een land leidt als ware het een BV, van le citoyen een calculerende burger maakt. Onder zulke omstandigheden leidt individualisering al snel tot maatschappelijke onverschilligheid en gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel.

Het manifest omschrijft de beschaving als een kleed dat door de eeuwen heen met gezamenlijke inspanning is geweven. Deze metafoor wil tot uitdrukking brengen dat wat aan beschaving is bereikt, het resultaat is van een immense krachtsinspanning. Van schaven en bijschaven, van trial and error, van behoedzaam reguleren van de sociale verhoudingen. Wat in eeuwen is opgebouwd, kan in één of twee generaties in belangrijke mate teniet worden gedaan. Dat mag nimmer gebeuren.

Mies Bouhuys, Wouter van Dieren, Bob Fosko, Karel Glastra van Loon, Freek de Jonge, Arjo Klamer, Jan Marijnissen, Huub Oosterhuis, Dorien Pessers, Harry de Winter en Nilgün Yerli zijn bestuurslid van de stichting `Stop de uitverkoop van de beschaving'. Dinsdag 12 juni vindt in Felix Meritis in Amsterdam een debat plaats tussen de voorstanders en de belangrijkste critici van het manifest `Stop de uitverkoop van de beschaving'.