De tragiek van Operatie Clickfonds

Justitie eist zware straffen voor verdachten rond het effectenhuis Leemhuis en Van Loon. Maar of de rechter dat ook wil?

Met onvervalste powerplay besloot het openbaar ministerie (OM) deze week het proces tegen het voormalige commissionairshuis Leemhuis en Van Loon, de belangrijkste rechtszaak tot nu toe in de beursfraudeaffaire. Justitie zette hoog in: Operatie Clickfonds was ,,als een langzame flitsfoto over een bepaalde periode waarin in het felle magnesiumlicht veel praktijken meedogenloos hard zijn vastgelegd''. Een gedurfde stelling. Natuurlijk: Clickfonds doorbrak de ouderwetse beursmoraal en zette integriteit in de financiële sector op de kaart. Maar dat had een prijs, omdat reputaties van personen en instellingen zwaar werden beschadigd. De vraag is of die schade wel in verhouding staat tot de feiten die in de rechtszaak werden behandeld.

In het Leemhuis en Van Loonproces legde het OM kleine fiscale kwesties ten laste, en bracht als belangrijkste verdenking dat er via Zwitserland voor cliënten een systeem van coderekeningen in stand werd gehouden om de belasting te ontduiken. Eerder oordeelde de rechtbank al dat met dat systeem niets aan de hand is. Wat niet wegneemt dat er wel misbruik van kan worden gemaakt, zeker als commissionairs weten dat klanten het gebruiken om de fiscus te ontlopen. Maar bij Leemhuis en Van Loon waren de coderekeningen in 1997 op één na afgebouwd. Bovendien liepen ze formeel niet bij het effectenhuis, maar bij een bank, wat juridisch gezien van belang is.

Tijdens het proces werd duidelijk dat het OM in 1997 haar onderzoek te weinig diepgaand deed en bovendien te hoog inzette ten opzichte van de onderzoeksrechter, toezichthouders en media. Zo werd bij het begin van het onderzoek gezegd dat voorkenniszaken ,,rond'' waren (dat delict wordt nu niet eens vervolgd), dat Leemhuis en Van Loon ,,zestig coderekeningen'' voerde (quod non) en werd in een persbericht gesproken van ,,beursfraude en omvangrijke witwaspraktijken'', terwijl van die verdenkingen niets meer over is.

Deze opstelling, repliceerde Justitie, was ,,zeer gerechtvaardigd op grond van de op dat moment bekend zijnde feiten.'' Maar de aanwijzingen voor het tegendeel zijn zó ruim, dat het tijdens het proces vooral over de vraag ging hoe ver het OM mag gaan in het `uitventen' van verdenkingen die achteraf een magere grondslag blijken te hebben. Zo stond niet de beursfraude, maar de integriteit van het justitieonderzoek ter discussie. Vooral de rechtshulpprocedure naar Zwitserland, waar Justitie gegevens wilde hebben van de Nederlandse vermogensbeheerder De Groot, sprong in het oog. De Zwitsers hanteren strenge voorwaarden en verbieden dat gegevens worden gebruikt voor fiscale delicten. Daarom werd een vage verdenking over witwassen van drugsgelden als `deuropener' gebruikt, zo gaf een van de opsporingsambtenaren al eerder toe. Het OM ontkent dat, maar heeft de schijn tegen. In de Duitse versie van het rechtshulpverzoek is het woordje `belasting' enkele malen verdwenen. Bovendien blijkt er een extra, cruciale zin over de drugsconnectie in te staan. In een eerder Clickfondsvonnis noemde de rechtbank dit al ,,een ernstige misslag'', maar verbond er geen consequenties aan omdat het in die zaak de verdachten niet rechtstreeks trof. Nu is dat wel het geval omdat de verdachten worden genoemd in het rechtshulpverzoek. Het lijkt onvermijdelijk dat dit consequenties zal hebben.

In zijn requisitoir klaagde het OM dat tijdens het Leemhuis en Van Loon-proces ,,de kern van de zaak, het wangedrag van financiële instellingen, leidend tot vele vormen van financiële fraude niet aan de orde is gekomen''. Het is een verwijt dat Justitie vooral zichzelf kan maken. Met een meer weloverwogen opstelling had het OM, met minder schade, óók het integriteitspaaltje kunnen slaan. Als over twee weken het vonnis voor Justitie verkeerd uitpakt, dreigen de wel bereikte resultaten door verder reputatieverlies van het OM onder te sneeuwen. Dat markeert de tragiek van Operatie Clickfonds.