Slapen met de slaaf van Comrij

Weinig of geen Nederlandse lezers zullen gehoord hebben van Jane Stevenson die in de Schotse hooglanden woont en tot voor kort twee boeken op haar naam had. Dat moet veranderen nu haar derde verschenen is, een roman die in het Den Haag van de zeventiende eeuw speelt en het verhaal van een geheime liefde zo helderziend vertelt dat de minnaars zelf er zich opnieuw in zouden ontdekken.

Van de twee hoofdpersonen is de een bekend uit de geschiedenis: de Winterkoningin, weduwe van de Winterkoning die zo genoemd werd omdat hij na ongeveer een jaar was afgezet van de troon van Bohemen die hij in 1619 had aanvaard. Hij heette Frederik van de Palts; zij was Elizabeth, zuster van de Engelse koning Karel I. Het echtpaar kwam in 1621 ambteloos in Den Haag wonen, ontvangend, schrijvend en intrigerend, om ergens een positie te winnen in overeenstemming met hun stand. Na de dood van Frederik in 1632 zette Elizabeth hun werk voort, en haar zoons deden mee.

Het duurt verscheidene hoofdstukken voordat wij haar tegenkomen in Stevensons roman. Wij worden eerst beziggehouden door de andere hoofdpersoon, een zwarte Afrikaan, een Yoruba, in Batavia als slaaf verkocht aan een Nederlander die de eigenaardige naam Comrij draagt. De slaaf wordt Pelagius van Overmeer genoemd, naar zijn zeereizen. Hij is een intelligente jongen; in Batavia christen geworden gaat hij met de steun van Comrij in Leiden theologie studeren, en hij hoopt als dominee terug te keren naar de Oost. Het loopt anders. Zijn beschermer sterft, en Pelagius die een bescheiden reputatie heeft verworven als genezer en waarzegger met Afrikaanse teksten die hij in een christelijke context plaatst, trekt de aandacht van de Winterkoningin die hunkert naar een betere toekomst voor haar familie.

Wij hebben dan het jaar 1642 bereikt; het duurt nog een jaar voordat Pelagius, die een baan van secretaris in de huishouding van Elizabeth heeft gekregen, haar minnaar wordt. Weer een jaar later wordt er een zoontje geboren, in het geheim natuurlijk, dat Pelagius terstond wegbrengt naar een gezin in Middelburg. En dan? Al leeft hun liefde voort wanneer Pelagius terugkomt in Den Haag, Elizabeth kan niet nog eens een zwangerschap riskeren; en het verhaal eindigt in Middelburg waar hij weer naar zijn zoontje is gaan kijken, voornemens om voorlopig uit Den Haag weg te blijven.

Afgerond is de roman hiermee niet. Hij mondt uit in de onvoorzienbare toekomst. En dat zal in de praktijk betekenen dat hij vervolgd wordt in het tweede deel van de trilogie, waarvan dit als eerste deel wordt aangekondigd. De onzekere afloop is na aarzeling aanvaardbaar; de lezer heeft genoeg beleefd en voelt zich deelgenoot van de gevoelens van Pelagius op de ijzige kaden van Middelburg in december.

Of zou Pelagius niet denkbeeldig zijn – een gedachte die onder het lezen komt en gaat. Wie weet wat zeventiende-eeuwse koninginnen, net als de koningen, uithaalden wanneer de kaarsen waren gedoofd. En wie weet wat Jane Stevenson voor verwaarloosd materiaal kan hebben opgespoord in de archieven en bibliotheken van Londen, Den Haag en Zeeland die zij doorzocht. Maar een ware geschiedenis is dit toch niet, ook geen parafrase van een ware geschiedenis; het zwarte gezicht dat naast dat van Elizabeth op de omslag staat is ontleend aan Jeroen Bosch: een van de drie koningen op een paneel uit het Prado. Wij hebben niet met een historische roman te maken. Het verhaal wordt verteld met mixed media: harde feiten, geromantiseerde geschiedenis en pure fictie.

Het had onoverzichtelijk kunnen worden bij een auteur met minder beheersing van personen en situaties. Bij Jane Stevenson komt alles terecht. Zij heeft niet de pretentie dat zij karakters in drie volledige dimensies uitbeeldt. In fragmenten weet zij hoogtepunten in de verhoudingen zo geconcentreerd te laten voelen, dat het ondoenlijk is om meteen verder te lezen: het voorafgaande moet eerst nog eens bekeken worden en naklinken.

Een van haar pronkstukken van vertelkunst is de beschrijving van een dag uit jagen in de omgeving van Den Haag wanneer Pelagius, voordat er nog van liefde gesproken is, Elizabeth mag vergezellen. Wat een paarden, wat een licht, wat een wind; en wat een landschap bij Den Haag, alsmaar duinen en vlaktes, struiken en bossen op weg naar het strand. Later begint het intieme leven, tot in de slotfase wanneer zij samen slapen zonder dat Pelagius in haar door mag dringen. Hij vindt het moeilijk, niet onmogelijk: `...there was a world of difference between the willed self-discipline of a free agent and the dreadful, blank repression of his erstwhile existence as a slave.' Hij lijdt eronder en zij ook, `but he did so as a continous act of moral choice; something which his life had taught him to value in itself.'

Dit is maar een vluchtig citaat, enkele welgekozen woorden op een rij. Misschien kan alleen een lezer die het voorafgaande heeft leren kennen, waarderen hoeveel er in zit; hoeveel ondervinding van het leven tussen gisteren en morgen zich hier aftekent in een geheime ruimte van de Haagse geschiedenis.

Jane Stevenson: Astrea. Jonathan Cape, 308 blz. ƒ67,35