Schrijven als een slak

In Nederland tuimelen de biografieën de laatste jaren over elkaar. Vlaamse auteurs blijven daarbij een beetje onderbelicht, al verschenen er de laatste jaren degelijke levensbeschrijvingen van Felix Timmermans en Frans Masereel, die het hagiografische karakter van veel van hun voorgangers missen. Met de vuistdikke biografie over de journalist en dichter Richard Minne wordt een deel van de achterstand ingelopen. Overtuigend ingelopen, want het meeslepende verhaal van Marco Daane – redacteur van het literair-historische tijdschrift De Parelduiker – geeft zowel een goed beeld van Minnes leven in engere zin, als van de context waarbinnen dat leven zich voltrok. Daanes werk als biograaf werd aanzienlijk bemoeilijkt, doordat over Minnes vroege jaren weinig documentair materiaal voorhanden bleek. Wel is Daane erin geslaagd een deel van Minnes verloren gewaande archief te traceren. De strikt chronologisch opgezette biografie bevat daarom enkele vondsten, zoals Minnes schoolrapporten en prijsboekjes, het begin van zijn memoires en een briefwisseling met de architect van zijn latere huis in het kunstenaarsdorp Sint-Martens-Latem, al blijft nog veel onbekend. Aan de ijver van Daane ligt dat niet.

Richard Minne (1891-1965) is een auteur wiens bescheiden oeuvre, waarvan de dichtbundel In den zoeten inval het bekendste is, vooral nog door fijnproevers wordt gelezen. De rode draad in de biografie van Daane is Minnes moeizame relatie met de Belgische socialistische partij. Zijn hele leven heeft Minne een tweeslachtige relatie tot het socialisme onderhouden. Al in zijn schooltijd schrijft hij zowel sociaal-geëngageerde gedichten als de verstilde poëzie die hem later in het kamp van het esthetiserende tijdschrift 't Fonteintje (1921-1924) doet belanden. Als journalist had hij een soortgelijke dubbelrol. De hoofdstukken over Minnes jaren bij het socialistische Gentse dagblad Vooruit in Daanes boek ontstijgen het individuele belang van Minne en geven een beeld van de geschiedenis van de Vlaamse socialistische pers. Al beschrijft Daane Minnes politieke activiteiten altijd in verband met diens literaire werk.

Minne zei tijdens een lezing op 20 december 1947: `Het standpunt van de dichter? Waarom moet een dichter een standpunt innemen? Het woord ,,standpunt' impliceert, dat ge ergens met klinkbouten vastzit en niet kunt wijken, terwijl de dichter nergens vastzit. Hij is de trouweloosheid in persoon. Wanneer hij ergens vastloopt is hij niet langer meer dichter, doch landmeter, dominee, schoolmeester'. Hij had aan dat rijtje ook `journalist' kunnen toevoegen.

Greshoff

Bij het tijdschrift 't Fonteintje (1921-1924) sloot hij zich niet aan omdat hij de poëtische principes van zijn mederedacteuren deelde, maar uit vriendschap met Maurice Roelants, Karel Leroux, en vooral Raymond Herreman. De laatste bemoeide zich intensief met Minnes werk en stimuleerde hem elke keer weer te publiceren. Herreman was ook verantwoordelijk voor de samenstelling van Minnes debuut, de dichtbundel In den zoeten inval (1927) die in een oplage van slechts 335 door Herreman en Roelants in eigen beheer werd verspreid. De bundel kent een uiterst boeiende drukgeschiedenis, met een interessante Nederlandse vertakking: door de Vlaamse dichter Jan van Nijlen kwam de redactie van 't Fonteintje in contact met Jan Greshoff, die weer de Arnhemse uitgeverij Hijman, Stenfert Kroese & Van der Zande interesseerde voor tijdschrift en zijn auteurs, onder wie Minne. De drie jaar oudere Greshoff schreef later in zijn autobiografie Afscheid van Europa dat hij weliswaar Minne nooit in levende lijve had ontmoet, maar dat diens werk een diepe indruk op hem maakte: `Ik heb onmiskenbaar zijn invloed ondergaan, omdat hij reeds verwezenlijkt had waar ik toen nog onzeker naar streefde, een gesproken poëzie in tegenstelling tot een gepsalmodieerde.' Hijman gaf uiteindelijk de voorgenomen herdruk van In den zoeten inval niet uit, maar Greshoff was erin 1924 wel in geslaagd een door Van Nijlen ingeleide bloemlezing uit 't Fonteintje bij Boosten & Stols te Maastricht onder te brengen en zo de poëzie van deze groep in Nederland een ruimere bekendheid te geven. Van Nijlen wees in zijn inleiding met nadruk op de on-Vlaamse `toon van zachtzinnige, soms eenigszins weemoedige ironie'. Zonder het uit te spreken, plaatste hij het werk van Minne en zijn collega's daarmee in de school van de Franse `fantaisistes' als Tristan Derème en Jean Pellerin, die ook Greshoff en de jonge E. du Perron beïnvloedden.

Contacten met modernistische tijdschriften als De Goedendag (1915-1918), De Stroom (1918) of Ruimte (1920-1921) hadden Minne en zijn kompanen niet. Dat is gezien de aard van het weinig geëngageerde, esthetiserende 't Fonteintje niet onlogisch, maar wat betreft Minnes socialisme wel degelijk verwonderlijk. 't Fonteintje, maar ook voorgangers als het Antwerpse Alvoorder (1900-1901), De Boomgaard (1909-1911) en Het Roode Zeil (1920) bestreden de opvatting dat een idealistische inhoud automatisch goede poëzie voortbracht. Voor hen was de echte kunstenaar een cynicus die schijnwaarden ontmaskerde. Deze literair-historische context blijft in Daanes biografie helaas wat onderbelicht, terwijl het toch de essentie van Minnes tweeslachtigheid weerspiegelt.

Een kenmerkend voorbeeld van dat dualisme is dat hij eind 1932 de in Brussel woonachtige Nederlandse uitgever A.A.M. Stols voorstelt een bundeltje brieven over het boerenleven uit te geven. Minne is dan, na een korte agrarische carrière, sinds een jaar in dienst bij Vooruit. Hij had Stols' reeks `Standpunten en Getuigenissen' voor zijn nooit verschenen bundel op het oog; dat maakt nieuwsgierig naar de inhoud, want die op dat moment op zijn einde lopende reeks omvat alleen maar kritische beschouwingen en essays. Merkwaardig is Minnes toenaderingspoging tot Stols wel, want nog maar enkele jaren tevoren had hij misprijzend gereageerd op pogingen van Maurice Roelants zijn verhalen bij Stols onder te brengen: `Mijn novellen naar Stols? Wat gingen die in deze patriciërsuitgave doen? Ik zou daar zeker figureeren als een ongekamden beer in een parfumeriewinkel.'

Partijbonzen

Over Minnes leven was tot voor kort weinig bekend. Er hing een mythe van ongecultiveerdheid om hem heen. Het idyllische beeld van de dichter-boer wordt door Daane trefzeker gecorrigeerd. Na korte, wat de eerste betreft in een tumultueus conflict met de partijbonzen eindigende, carrières bij de (socialistische) Belgische Werkliedenpartij en als vertaler bij het ministerie van Justitie in Brussel belandde de in Gent geboren en opgegroeide Minne in de jaren 1923-1928 als boer in Oost-Vlaanderen. Hij tobde met zijn gezondheid en werd bezocht door paniekaanvallen. In een brief dichtte hij: `De oogst is af, en 'k ben nog suffer/ idioter dan een mejuffer/ die aan 't een of 't ander doet.' Zo idyllisch was dat allemaal dus niet.

Minne dichtte door zijn agrarische beslommeringen weinig: `Ik zit niet in de inspiratie, ik zit in de beeten', schreef hij, bang als hij was voor eeuwig de man van een dichtbundeltje en wat verhalen te zijn. Zijn vriend Herreman verweet hem zijn literaire luiheid. Minnes vrouw was dat met Herreman eens. Eind 1930 schreef ze op een briefje voor Minne de volgende aanmoediging: `Richard, als ge denkt, dat ge ooit in iets, het zij groot of klein, kunt slagen door het bij ongeregelde vlagen aan te vatten, zie dan van dat verkeerde denkbeeld af. Le génie c'est la patience.' Maar of dat terecht was? Als boer en later als journalist moest Minne bijzonder hard werken. Het is daarom vooral tijdgebrek dat zijn productie zo laag heeft gehouden.

Perfectionisme

Daarnaast werd hij voortdurend geremd door een enorme twijfel over de waarde van zijn werk, die hem het werken bij tijd en wijle onmogelijk maakte. `Ik tsjoes aan mijn pennestok. Er komt niets uit', klaagde hij ooit. En als hij al aan het werk was, werd hij verlamd door zijn perfectionisme: `Ik schrijf als een slak. Ik maak kladden, lapsussen en andere mooie zaken. Ik begin, herbegin en her-herbegin.' Van zijn talloze plannen heeft hij maar een klein deel uitgevoerd. Herreman zorgde nog voor de publicatie van Wolfijzers en schietgeweren (1942), een bundel gedichten, brieffragmenten, aforismen en verhalen en later verscheen nog In twintig lijnen (1955), een bundel van zijn dagelijkse kronieken in Vooruit. Maar daarbij bleef het. Het literaire oeuvre van Minne beslaat in grote trekken slechts een verzamelbundel gedichten van nog geen tweehonderd bladzijden, een kleine roman, verder een kleine vijftien verhalen en weinig omvangrijk beschouwend proza. Van Minnes socialistische jeugdidealen is nooit veel terechtgekomen; van zijn literaire dromen evenmin.

Met biografieën over een volksschrijver als Timmermans of de internationaal vermaarde graficus Masereel kun je je als uitgever nauwelijks een buil vallen; dat De Arbeiderspers het heeft aangedurfd van een slechts bij een publiek van liefhebbers bekende auteur als Minne in de prestigieuze `Open Domein'-reeks een biografie te publiceren, verdient bewondering. Daane trad een aantal jaren geleden op als medebezorger van Minnes Verzamelde verhalen (1996). Hopelijk zal een uitgever binnen afzienbare tijd ook Minnes verzamelde gedichten, het overige proza – bijvoorbeeld het alleraardigste Heineke Vos en zijn biograaf (1933) – en niet te vergeten zijn brieven durven te publiceren. Het kan niet anders of de lezers van Daanes enthousiasmerende biografie kijken er reikhalzend naar uit.

Marco Daane: De vrijheid nog veroveren. Richard Minne 1891-1965. De Arbeiderspers, 532 blz. ƒ75,–