Sceptisch mandaat

DE UITSLAG van de Britse parlementsverkiezingen is niet verrassend en toch wonderbaarlijk. Vanaf het moment dat premier Blair ze uitschreef, stond zo goed als vast dat Labour een meerderheid in het Lagerhuis zou behouden. Zelfs The Economist riep op hem schoorvoetend te steunen.

Het is dus niet opmerkelijk dat Labour heeft gewonnen. Het is verbazingwekkend dat de Conservatieven zo dramatisch hebben verloren. De Tories hebben geen enkele vooruitgang geboekt. Door massaal thuis te blijven, heeft ruim een derde van de Britten niet vóór Blair gestemd maar tégen opponent Hague. Zonder er nog een nachtje over te slapen, heeft de oppositieleider daarom vanochtend ontslag genomen. Hij kon moeilijk anders. Niet alleen is het voor het eerst in de geschiedenis van Labour dat de partij voor een volle termijn kan blijven regeren, haar overwicht is eveneens zonder precedent. Met een meerderheid van circa 165 zetels overtreft Blair niemand minder dan Thatcher, die in haar tweede termijn kon bogen op een overschot van 144 zetels. Zijn lichte verlies is bovendien niet ten goede gekomen aan de Conservatieven maar aan de Liberaal-Democraten, die het beste resultaat sinds mensenheugenis boekten.

Hoe was dit mogelijk? De simpelste verklaring is de campagne. Hague ging op pad met drie thema's: red het pond, asielbeleid en belastingverlaging. Hiermee raakte hij de greep op de `agenda' kwijt. Door te tamboereren op asielzoekers, dreigde hij even terecht te komen in xenofoob vaarwater. Een hopeloze positie, bleek in Oldham (rassenrellen) waar juist de racistische British National Party tot 16 procent wist te groeien. Met zijn campagne voor het pond maakte Hague zelf de verkiezingen tot een informeel referendum over de euro. En met zijn belastingplan maakte hij zich monddood in het debat over de toezegging van Labour te investeren in onderwijs, zorg en openbaar vervoer.

DAT LAATSTE was de meest cruciale fout. Want juist deze beloften van Blair waren zijn zwakste schakel. De afgelopen jaren heeft hij weliswaar veel gepraat over publieke taken, maar – ondanks de economische groei – er weinig van gerealiseerd. De verkiezingscampagne van Labour had zodoende wat weg van een vlucht naar voren. Met name de kiezers tot 35 jaar hebben Blair dat onder de neus gewreven. De opkomst van slechts 60 procent is een dieptepunt sinds 1918. Eén, voor de macht irrelevante, uitslag in Worcestershire illustreert de scepsis nog treffender. Een gepensioneerde arts wist er als onafhankelijk kandidaat met een campagne voor het ziekenhuis een minister te verslaan.

De Britse verkiezingen zijn niettemin een kleine aardverschuiving die ook buiten het Verenigd Koninkrijk betekenis heeft. De Conservatieven verkeren in een diepe crisis. Omdat een oplossing niet snel in het verschiet ligt – de houding jegens Europa verscheurt de partij – moeten de Tory's de volgende verkiezingen vrezen, zoals Labour in de jaren van Thatcher. Haar opvolger Blair op zijn beurt heeft, mede dankzij het bestendige succes van de pro-euro liberalen, een mandaat de toenadering tot Europa te bespoedigen. Dat is het eerste positieve aspect van de verkiezingen.

Bovendien kan Blair een doorbraak in de Britse politieke constellatie forceren. Als hij komende jaren zijn retorische zeepkist verlaat en daadwerkelijk in staat is een nieuw evenwicht te vinden tussen particulier en publiek domein, kan Groot-Brittannië een nuttige bijdrage leveren aan de integratie van Europa die juist nu zo moeizaam verloopt. Dat zou dan het tweede positieve effect van de zege van New Labour kunnen worden.