Om zijn vuisten pasten geen boeien

Zoals er biografen zijn wier wapens het zoeklampje en de empathische handschoen zijn, zo zijn er ook wier wapens het hakmes zijn en de hyperbool. Nick Tosches behoort zonder twijfel tot de laatste categorie, hij zou er de vlaggendrager van kunnen zijn. Zoals de uitdrukking gaat: als Tosches een goed verhaal heeft, zal hij niet aarzelen de feiten zonodig uit de weg te ruimen.

Zijn methode levert fascinerende boeken op, dat wel; zijn biografie van Dean Martin (Dino), maar vooral die van rocker Jerry Lee Lewis (Hellfire) waren met veel onappetijtelijke details ingekleurde levensverhalen die nu niet bepaald als opzet hadden de sympathie voor de sterren te vergroten.

Toch ziet het er naar uit dat, door bokser Sonny Liston als onderwerp te nemen, Tosches voor het eerst door zijn eigen methode is verslagen: misschien wel, misschien, omdat Sonny Liston op voorhand al nooit op enige sympathie van wie dan ook kon rekenen.

Dat maakt Tosches' boek van de weeromstuit hier en daar apologetisch en dat zijn we van hem niet écht gewend. Maar er is nog iets. Met Liston heeft Tosches zich verdiept in het leven van een man die al dertig jaar dood is, en ook dat heeft een nadelig effect op het boek. Zo goed als hij onder de huid van Lewis en Martin kon wroeten, zo moeilijk lukt hem dat met Liston. Misschien wel juist omdat zijn onderwerp zo ver weg was en gedoemd dat te blijven, is Tosches ongewoon weinig to the point en ook onnavolgbaar in de manier waarop hij het verhaal vertelt.

Tosches begint zijn biografie van de Amerikaanse bokser, typerend genoeg, in het West-Afrika van de achttiende eeuw, waar `de Oyo de Dahomey tot slaven maakten ... en de Ashanti de Dahomey en de Oyo...' Het slavernijthema blijft het hele boek terugkeren, niet alleen omdat Liston de kleinzoon was van een bevrijde slaaf en de zoon van een katoenplukker van wie hij later zou zeggen: `het enige wat mijn pa me ooit gaf was een pak slaag.' In het Oost-Arkansas van zijn tijd was de slavernij eigenlijk nog steeds niet de facto afgeschaft en het is Tosches' theorie dat Liston eigenlijk nooit een vrij man is geweest, maar als delinquente analfabeet altijd het bezit is gebleven van blanke maffiosi die van zijn primitieve vaardigheden een prachtige winst konden maken. He who is by nature not his own but another's man, is by nature a slave, is Tosches' mantra door dit boek, en hoewel het mooi klinkt, en vermoedelijk ook wel door de feiten wordt gestaafd, kan hij er maar niet het overtuigende verhaal van maken dat we van hem gewend zijn.

Beest

De feiten lijken simpel maar ze zijn dat niet altijd. Sonny Liston kon niet lezen en schrijven en had al snel in de gaten dat hij twee dingen wél kon: katoen plukken en mensen beroven. Het laatste leverde het meeste geld op, maar het deed hem telkens weer in de gevangenis belanden, waaruit hij uiteindelijk te voorschijn kwam met voldoende vechttechniek om de Golden Gloves te winnen, en een paar knuisten die zo breed waren dat er geen handboeien om pasten – zoals diverse dienaren van de wet later in zijn leven tot hun schrik zouden bemerken.

Liston was een onoverwinnelijk beest en dus geld waard; hij liet zich door verschillend geboefte verschillende deals aanpraten, dermate verwarrend dat hij zelf op het hoogtepunt van zijn carrière allang niet meer wist wie welk percentage van hem bezat. Liston was een slaaf, zijn hele leven, `maar niemand zag hem ooit in a fuckin' dashiki', schrijft Tosches uitdagend (Listons hoogtij viel immers samen met het begin van de black pride-beweging, tijdens welke volstrekt veramerikaniseerde zwarten zich modieus in Afrikaanse kledij hulden).

In de wereld van het professionele boksen is de ultieme wet uiteindelijk simpel: er is, in elke gewichtsklasse, één man van wie men weet dat hij de sterkste is. Nu gaat het er om van die overmacht zoveel mogelijk profijt te trekken. Dus worden er eindeloze gevechten georganiseerd met zogenaamde opgewarmde lijken, gevechten waar de bokser overigens maar een fractie van de gage in handen krijgt. Tot het moment waarop zijn onoverwinnelijkheid een te grote verleiding is voor de mensen die hem `bezitten' en dan krijgt hij te horen, (zoals Jake LaMotta in de verfilming van zijn levensverhaal, met De Niro in de hoofdrol) dat `this is not your day.' Dan moet hij zijn handen thuishouden en gaan liggen. Een fortuin voor de ingelichte gokkers is het gevolg.

IJshockeybaan

Liston, toch al nooit de publieksheld die andere boksers als Ali en Joe Louis later in hun carrière werden, was ook al niet goed in het spelen van dit spel. De beste gedeelten van Tosches' boek gaan over beide beruchte gevechten tegen Mohammed Ali waarin hij zichzelf als wereldkampioen, letterlijk, gewonnen gaf. In het eerste gevecht weigerde hij na de zesde ronde op te staan, bewerend dat zijn arm gevoelloos was. Het bedrog (van een bokser die op dat moment zelf nog maar tien procent van zijn gage beheerde!) was zo evident dat Listons eigenaars grote moeite hadden een revanche plaats te laten vinden. Uiteindelijk vond die plaats in een boksring op de ijshockeybaan van een jongensschool in een dorp in Maine. Daar ging Liston neer na een slag in de eerste ronde die volgens de meeste toeschouwers niet eens aankwam. Zoals Tosches schrijft: `It was not merely a fix, it was a flaunted fix.'

Zwart Amerika had in Ali een nieuwe held, maar Liston werd tijdens zijn carrière universeel gehaat, door blank en zwart. Hij was de quintessential bad nigger. Eindeloze malen moest hij verschijnen voor congressionele commissies die de fraude in de bokssport en de connecties met de georganiseerde misdaad moesten doorlichten. Op het hoogtepunt van zijn loopbaan was zijn knock-out dodelijk, voor iedereen, en kon hij grinnikend vaststellen dat hij de regels van het spel veranderde. Want een bokswedstrijd was net als een cowboyfilm: ,,De slechten worden geacht te verliezen, de goeien te winnen. Maar ik verander dat: ik win.' Na de beide `nederlagen' tegen Ali was het voorbij met zijn carrière, en hij stierf miserabel, onduidelijk, onbemind, onopgemerkt, ergens in Las Vegas in 1971. Er was iets met drugs, maar niemand deed zijn mond open. Vooral over die laatste periode is Tosches, noodzakelijkerwijs, onduidelijk en speculatief. Voor het overige geeft hij een goed beeld, met de nodige en onnodige overdrijvingen, van Liston in zijn tijd, van een man die zijn vuisten kon laten spreken, tot andere krachten hem de baas werden. En dat het niet Tosches' beste boek is, daaraan kan hij waarschijnlijk, gegeven die omstandigheden, weinig doen.

Nick Tosches: Night Train. The Sonny Liston Story. Penguin, 260 blz. ƒ29,95 (pbk) In de Verenigde Staten verschenen onder de titel The Devil and Sonny Liston. Little, Brown & Company, ƒ95,- (geb.)