Nostalgisch epos van de jazz

Megalomaan, supergeduldig of knettergek. Dat moet je wel zijn als je besluit je te wijden aan een onderwerp als `de geschiedenis van de jazz'. Het is net zulk onbegonnen werk als de geschiedschrijving van de speelfilm of van industrieel design, twee kunstvormen die ruwweg even oud zijn als de jazz. Toch heeft Ken Burn zich er aan gewaagd. Zes jaar werkte hij aan zijn documentaire, een twaalfdelig epos van bijna 19 uur lengte met 498 muziekfragmenten en 75 interviews.

Burn wilde de jazz uit het muzikale getto halen waar het volgens hem door de experts in was geduwd. En daar is hij aardig in geslaagd. Sinds de uitzending van de serie door de Amerikaanse publieke zender PBS is het aandeel jazzalbums in de Amerikaanse cd-verkoop meer dan verdubbeld tot 4 procent. Maar de stem van Burns critici klonk toch heel wat luider dan die van de tevreden kopers van Louis Armstrongs greatest hits. De BBC begint morgen als eerste in Europa met het uitzenden van de verkorte, slechts 12 uur durende, versie van Jazz, maar de kritische geluiden hadden de Transatlantische oversteek al eerder gemaakt.

Het zwaarste verwijt is dat Jazz helemaal niet over muziek gaat maar over rassenverhoudingen. Volgens Mark Feeney van de Boston Globe sluit de documentaire wat dat betreft naadloos aan bij Burns eerdere monsterwerken The Civil War en Baseball, die geen beeld geven van oorlog en sport maar van de maatschappelijke strijd tussen zwart en blank. Door jazz te reduceren tot historisch illustratiemateriaal doet Burn het Amerikaanse cultuurgoed ernstig tekort, aldus Feeney. Pianist Keith Jarrett, die de serie in een ingezonden brief aan The New York Times afdoet als `the socioeconomic racial forensics of a jazz-illiterate historian', roept dan ook echte liefhebbers op om snel met een alternatief portret te komen.

Toch is Jazz de moeite waard. Voor leken is het een leuke introductie in het genre, aficionado's zullen zich verlekkeren aan de unieke archiefbeelden van dansende massa's in de Roseland Ballroom of Savoy Ballroom.

Een ander vast ingrediënt in de kritische klaagzang over Jazz wordt gevormd door de onvermijdelijke blinde vlekken. Menig grootheid moet het doen met een karige vernoeming in de marge. Anderen rest de vergetelheid. Erroll Garner, Pee Wee Russell, Don Byas, Fats Navarro, Warne Marsh, Jack Teagarden; het zijn een paar van de namen die op de geschiedkundige afvalberg belandden. Over de Europese jazz wordt overigens al helemaal met geen woord gesproken.

De omissies hangen ook direct samen met Burns buitenproportionele aandacht voor de decennia tussen 1920 en 1950. Richard Cook, co-auteur van het gezaghebbende naslagwerk The Penguin Guide to Jazz on CD, verwijt Burn een misplaatste nostalgische hang naar het Gouden Tijdperk, toen jazz nog gold als de ultieme popmuziek. Voor een documentaire die steeds de vitaliteit van het genre benadrukt, is het opmerkelijk dat de laatste veertig (!) jaar in minder dan een uur worden afgeraffeld. Meer dan een portret van een springlevende, dynamische kunstvorm is Jazz het grafschrift van een versteend manierisme. Die indruk wordt nog eens versterkt door het veelvuldig als expert opvoeren van trompettist Wynton Marsalis, de meest prominente conservator van de museumjazz.

Jazz, zaterdag, BBC2, 20.00-22.00u.