Neuswijze kakeling

In Nederland denkt men veel aan nut, maar men begrijpt niet goed wat nuttig is. Veertiende aflevering van een zoektocht naar de kern van de Nederlandse cultuur.

Wie onder het Rijksmuseum in Amsterdam doorloopt en niet al te veel wordt afgeleid door Peruviaanse panfluiten of Britse big bands, hoeft maar een blik omhoog te werpen om ze te zien: die typisch Nederlandse spreuken van Vondel of Roemer Visscher, aangebracht in prachtige goudgekleurde letters: ,,'t is zotheid van een dwaze klerck te willen vliegen zonder vlerck'' of ,,'t is met segghen niet te doen''. Bij ieder bezoek aan Amsterdam liepen we er even langs, vroeger, en als meisje intrigeerde mij vooral die op één na laatste: ,,Onnut en ijdel is neuswijze kakeling''. Bij `onnut' kon ik me nog wel iets voorstellen, maar wat te denken van `ijdel' (Spiegeltje, spiegeltje aan de wand?) en vooral: wat was een `neuswijze kakeling'? Een eigenwijs jochie met zijn neus in de wind? Een kakelende kip? Een speciaal soort oud-Hollandse lekkernij? Hoe cryptisch de betekenis van deze zegswijzen op dat indrukwekkende gebouw ook mocht zijn, één ding wist ik zeker: dit had te maken met Amsterdam, met geschiedenis, met Nederland en de Nederlanders – die spreuken hadden mij dus iets te zeggen. Onnut zou wel geen goede eigenschap zijn voor een neuswijze kakeling, net zomin als ijdelheid.

Vorig jaar, tijdens een bezoek aan het Italiaanse vestingstadje Bomarzo, zo'n dertig kilometer ten noorden van Rome, moest ik plotseling weer aan deze spreuk denken. In het dal, diep onder Bomarzo, ligt het Parco dei Mostri, het park der monsters. Het is een beroemd, eeuwenoud landschapspark, met heuvels, ravijnen, meertjes en beekjes, vol vreemde, angstaanjagende beelden van monsters: immense schildpadden, metershoge vechtende reuzen, manshoge drakenkoppen en levensechte olifanten – het toppunt van onnut, kortom, en bovendien vol met verwijzingen naar de ijdelheid, in de zin van de nietigheid van de mens en de vergankelijkheid der dingen: neusloze sfinxen, een mausoleum voor een Griekse sirene, gevleugelde paarden en drakenkoppen door wier muil je een grot kunt betreden – met op de lippen de in steen uitgehouwen verzuchting: `oci pensiera vola' (iedere gedachte vervliegt). Kan het ijdeler? Bestaat er nuttelozer?

Het was de Italiaanse prins Orsini die het park in 1552 liet aanleggen `uit liefde voor zijn vrouw'. Het echtpaar bleef kinderloos en na hun dood bleef het park eeuwenlang onbeheerd: de beelden werden door de natuur overwoekerd en waren in de loop van de volgende eeuwen tot stof vergaan, als niet zo'n veertig jaar geleden een ander kapitaalkrachtig Italiaans echtpaar het bij toeval ontdekt had en het in zijn vroegere glorie had hersteld.

Een aantal Nederlandse kunstenaars heeft zich laten inspireren door het Parco dei Mostri. Zo schilderde Carel Willink de monsters als versteend pièce-de-milieu op zijn immense, magisch-realistische doeken. Hella S. Haasse schreef in 1968 het mooie essay De tuinen van Bomarzo, waarin zij haar fascinatie voor labyrinten, grotten en landschappen verder onderzocht. Zij speurde naar het ontstaan van het park en naar het leven van Graaf Orsini, ,,een nauwelijks meer te ontrafelen weefsel, waarin feiten, legenden, verzinsels en roddels zijn verwerkt''. Belangrijke Nederlandse kunstenaars werden uitgedaagd en gefascineerd door het mysterie van dit park, door het irrationele van zijn geschiedenis, door de uitbundige fantasie die het uitstraalt. Zou het toeval zijn dat juist zij zo werden gegrepen door deze Italiaanse lusthof van onnut en ijdelheid? Is het onwillekeurig een bevrijdende reactie op de Nederlandse, neuswijze kakeling-moraal van de eerste helft van de twintigste eeuw?

In 1938 publiceerden Jan en Annie Romein Erflaters van onze beschaving, een standaardwerk waarin zij een aantal belangrijke Nederlanders portretteerden uit de veertiende tot de negentiende eeuw. Hun boek moest `de kennis van het Nederlandse volk' verdiepen ,,omtrent wat het in de loop der tijden zelf uit zichzelf aan groots heeft voortgebracht; een verdieping tegen de gevaarlijke onderschatting, maar tegelijk tegen niet minder gevaarlijke overschatting van het Nederlands-eigene''. Het streven naar `maat', het oog hebben voor doelmatigheid – dat lijkt de rode draad in hun zoektocht naar de essentie van de Nederlandse cultuur en in het ontdekken van ,,wat Europa aan Nederland verschuldigd is''. Nederland bezorgde Europa Van Gogh, Huygens, Berlage, Rembrandt en Spinoza – niet het minst dankzij het in Nederland heersende geestelijk klimaat van werkelijkheidszin, tolerantie, redelijkheid en burgerlijke vrijheid, een mentaliteit van `zaai en gij zult oogsten', `van doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg', wars van fratsen en schone schijn.

In de jaren dertig was het allemaal duidelijk en overzichtelijk. Ook Franse schrijvers die in de loop der tijd Nederland aandeden hadden een glashelder beeld van waar Nederland voor stond. Baudelaire sprak in Het spleen van Parijs van ,,een waar luilekkerland, waar alles mooi is rijk, rustig, rechtschapen; waar de weelde er behagen in schept zich te spiegelen in orde; waar wanorde, gewoel en toeval zijn buitengesloten''. Edmond en Jules de Goncourt hadden het in hun dagboek over ,,een land waar alles in orde, samenhangend, onontkoombaar en logisch is, (...) een land dat voor anker ligt''.

Wie vandaag met een zuidelijke blik naar Nederland kijkt, zal enerzijds constateren dat er in die perceptie niet zo gek veel veranderd is: land van rijkdom, havens en handel, land met een sterke economie en land van tolerantie, vooruitstrevend op het gebied van burgerlijke rechten en vrijheden. Anderzijds is het Nederland van nu ook een land dat zijn moderne talenonderwijs in de uitverkoop gooit; dat zijn leraren Frans en Duits massaal het onderwijs doet ontvluchten, omdat hun vak systematisch wordt uitgehold. Een land dat literatuuronderwijs terugbrengt tot een paar zelfwerkzame leesuurtjes in het studiehuis – een stoplap in het curriculum. Een land waarin scholieren liever vakken vullen bij de grootgrutter dan zich te verdiepen in taal of cultuur. Frans? Te moeilijk. Duits? Wat heb je eraan? Klassieke talen? Nergens voor nodig!

De universiteiten dienen geschoeid op commerciële leest en zo treft bijvoorbeeld de toch al zeldzame, want ontmoedigde, gepassioneerde student Frans een studieprogramma waarbij literatuur een ondergeschoven kindje is. Cultuur, literatuur – ze zijn nutteloos in de cultus van het financieel gewin, van de virtuele gemakzucht; overbodig, in een cultuur die gerund wordt als een bedrijf. Nut – als er één woord thuis hoort in het holst van Nederland, dan is het dat wel.

Curieus genoeg staan deze onderwijsontwikkelingen haaks op wat in cultureel opzicht nuttig lijkt. Juist nu in Europa integratie een sleutelwoord is en Nederland steeds meer een migratieland, lijkt een kosmopolitische houding ten aanzien van taal en onderwijs – open, nieuwsgierig, actief, tuk op vergelijkingen met wat zich over de grens afspeelt, gespitst op ontwikkelingen elders – de enig redelijke, sterker nog de enig nuttige. In Frankrijk verschijnen bijna maandelijks studies over Europa en de Franse culturele (of literaire of sociale of politieke of historische) identiteit. Daarin wordt eens te meer aangetoond hoe er al eeuwen aan een Europees cultureel tapijt geweven wordt. Een culturele identiteit is geen statisch gegeven, maar vormt zich in contact met andere culturen, ontrolt zich in samenhang met andere of juist als reactie daarop. Een culturele identiteit is dynamisch, vormt zich in een spanningsveld tussen heden en verleden, tussen vandaag en morgen – in voortdurende wrijving en schuring met omringende culturen. Umberto Eco stak onlangs nog – niet eens gekscherend – in deze krant de loftrompet over de revolutionaire rol van studentenuitwisseling binnen Europa. Idealiter zouden zoveel mogelijk mensen van verschillende nationaliteiten elkaar moeten huwen, zodat over dertig jaar de leidende klasse in Europa meertalig is.

Is het belangrijk om, als je met je kinderen de tentoonstellingen van Robert Zandvliet of van Karel Appel in het Stedelijk Museum bezoekt, te benadrukken dat het om Nederlandse kunstenaars gaat? Is het zinvol hun te vertellen dat het verhaal van Eco's Baudolino door een Italiaan is verzonnen, dat de waterlelies van Claude Monet Frans zijn? Ja, meen ik. Niet uit een nationalistisch oogpunt. Niet om chauvinistisch Nederlandse kunstenaars te roemen of `onze' cultuur aan te prijzen. Wel om hun gevoeligheid voor culturele dialoog, voor vergelijkingen, voor denken-over-de-grenzen aan te scherpen: knipoogt Zandvliet niet naar Van Gogh in zijn Zuid-Franse jaren? Is Nikki de Saint-Phalle niet ergens het zusje van Appel? En zien we niet massa's ogenschijnlijk Franse waterlelies in menige Nederlandse sloot?

In het kader van de boekenweek werden dit voorjaar de `nieuwe Nederlandse schrijvers', extra in de schijnwerpers gezet. Hafid Bouazza, Said El Hadji, Kader Abdolah, Yasmine Allas – ze verklaarden zonder uitzondering deel uit te maken van de Nederlandse literatuur, zich thuis te voelen in de Nederlandse traditie, verwezen naar Annie M.G. Schmidt, Slauerhoff of Gossaert. De literaire discussie was een proeve van perfecte, op consensus gerichte, literaire poldermodelmentaliteit: gemoedelijk van toon en over het algemeen welwillend – Nederland is nu eenmaal geen land van felle debatten.

Dat verliep elders wel anders. In Quebec, die Canadese deelstaat onder de rook van een veel invloedrijker anderstalig continent en strijdend tegen de Anglo-Amerikaanse culturele overheersing, werden harde noten gekraakt toen, jaren geleden, Franstalige Haïtiaanse, Braziliaanse en andere Zuid-Amerikaanse schrijvers aanspraak gingen maken op literaire prijzen, subsidies en buitenlandse erkenning. Vooral het werk van de felle Haïtiaan Dany Laferrière, auteur van onder andere Hoe de liefde te bedrijven met een neger zonder je te vermoeien?, die flinke kritiek uitte op de mentaliteit in Québec ten opzichte van allochtonen, werd tot op de universiteiten ter discussie gesteld. Het debat over `la mort de la littérature québequoise' laaide op en alle belangrijke schrijvers van Québec voelden zich aangesproken.

Nee, dan hier. Geen schrijver die zijn stem verhief, geen universiteit die zich druk maakte. ,,Hier word je niet dagelijks geconfronteerd met een geweldig glorieus verleden dat je onherroepelijk buitensluit'', schreef de Frans-Marokkaans-Nederlandse auteur Fouad Laroui. ,,Hun `culture' willen ze aan niemand opdringen, ze verontschuldigen zich bijna dat ze er een hebben. (...) Hier vind je een onverschillige tolerantie waarin je kunt baden, dag na dag, totdat je jezelf wordt.'' Het heeft er alle schijn van dat onverschilligheid hier ontaardt in gemakzucht. Dat is allesbehalve nuttig.

In Frankrijk, waar Parijs al eeuwenlang fungeert als een literair toevluchtsoord voor schrijvers van over de hele wereld, zijn auteurs als Assia Djebar (Algerije), Tahar Ben Jelloun (Marokko), Bernard-Henri Lévy (Algerije), Julia Kristeva (Roemenië) of Amin Maalouf (Libanon) inmiddels gerespecteerde deelnemers aan het intellectuele debat. Dat ging ook daar niet zonder slag of stoot. ,,Je bent nergens meer vreemdeling dan in Frankrijk, maar ook nergens beter'', schreef Julia Kristeva, ,,als vreemdeling ben je een fascinerend geval, laat je niemand onverschillig.'' Zo vond de Frans-Russische auteur Andreï Makine geen uitgever voor zijn in het Frans geschreven manuscripten, totdat hij deze presenteerde als vertalingen van oorspronkelijk Russische romans.

De Britse historicus Jonathan Israel, die jarenlang de leerstoel Dutch History bekleedde aan het University College in Londen, formuleerde voor hem persoonlijk, wat mutatis mutandis zou kunnen gelden op een algemeen niveau. Sprekend over zijn diepgaande interesse voor Spinoza, zei hij: ,,Het lezen van een auteur als Spinoza kan een diep effect hebben op een historicus, een kunstenaar of schrijver. Het verandert zijn perceptie van de wereld en van de werkelijkheid, die hij vervolgens weer neerlegt in zijn wetenschappelijke werk, zijn literatuur, zijn cultuur. Het is twee-richtingsverkeer.'' Schaven, schuren, beitelen: het is het nuttig principe van iedere identiteit – ook van de Nederlandse.

Moeten we dan niet trots zijn op het verschijnen van een mooie, eerste Nederlandse literatuurgeschiedenis in het Frans?

En zou het nieuw aan te leggen metrostation in Amsterdam ter hoogte van de Vijzelgracht dan niet `station Descartes' mogen heten?

De discussies over het nieuwe Rijksmuseum zijn nog in volle gang. Hoe de collectie binnen ook gepresenteerd zal zijn, het is te hopen dat de onderdoorgang voor fietsers en voetgangers ook in de toekomst open blijft. Anders zal binnenkort geen passant meer kunnen peinzen over de zin en onzin van `Onnut en ijdel is neuswijze kakeling' en weerklinken er alleen nog de tonen van Peruviaanse fluitspelers of een Britse brass band.

Volgende week begeeft Theo van Gogh zich in het Holst van Nederland

Frans? Te moeilijk. Duits? Wat heb je eraan? Klassieke talen? Nergens voor nodig!

Het heeft er alle schijn van dat onverschilligheid hier ontaardt in gemakzucht