Mijn vader

Mijn vader geboren in 1903 had een vriend. Hij heette Piet. Mijn vader noemde hem altijd de `krotenkoker'. Zo worden mensen genoemd die een beetje zonderling zijn, anders dan anderen. Hij had een rood gezicht en de binnenkant van zijn handen was ook rood, omdat hij altijd op zijn handen ging zitten.

Dus als Piet ons bezocht zei mijn vader nooit ,,Ha die Piet', maar ,,goeieavond krotenkoker'. Piet kwam twee keer in de week, mijn vader presenteerde hem een sigaar en besprak met hem wie het snelste schaatste, wie het hardste fietste, of wie de dikste snijbonen in zijn tuin had staan.

Piet bracht altijd zijn hondje mee. Hij heette Billie. Wij vonden het het liefste hondje van de wereld, omdat hij niets kon, geen enkel kunstje. Hij was vooral heel zoet. Mijn vader zei altijd dat Billie net een poes was omdat hij met vier poezen was opgegroeid. Je hoorde hem nooit blaffen maar ook niet miauwen. Hij was zwart en had twee witte vlekjes boven zijn ogen. Op een dag toen Piet er weer was met Billie, en we allemaal in de tuin zaten, keek mijn vader opeens heel aandachtig naar Billie. ,,Nu weet ik het,' zei hij, ,,Billie is eigenlijk een ober maar hij doet of hij een hond is.' Hij ging binnen een zwart strikje halen, deed het met een elastiekje om Billies nek en bestelde thee met appeltaart.