Landenpaviljoens puilen uit met video

Op de 49ste Biennale in Venetië is dit jaar veel videokunst te zien. Zo laten de Grieken een gevecht zien tussen in ballonnen gehulde gezichten en loopt het storm op de `verhalen' van de Brit Mark Wallinger.

Monsters op de daken? Regenbogen van plastic? Of compleet ingerichte, private televisie-studio's? Niets van dat alles. Ook op de tweede bezoekersdag lijkt de Giardini in Venetië met zijn 49ste Biennale eerder op een beschaafd lustoord dan op een kermis, zij het dat teveel mensen tegelijkertijd diezelfde landenpaviljoens willen zien. De veelal smakeloze sensatie, zoals nagestreefd op de laatste biennales, lijdt hier duidelijk aan hyperinflatie, en daar is de kunst alleen maar bij gebaat.

Komt op de hoofdtentoonstelling in het Italiaanse paviljoen, samengesteld door Biennale-directeur Harald Szeemann, relatief veel schilderkunst aan bod, met recente werken van Cy Twombly, Gerhard Richter, de Philippijn Manuel Ocampo, de verrassende Duitser Neo Rauch (1963) en de veelzijdige Brit Keith Tyson – het merendeel van de 29 hier deelnemende landen presenteert videokunst: van flauwiteiten, zoals een gevecht tussen in ballonnen gehulde gezichten (Griekenland) en grauw-grijs asfalt (Roemenië), tot de doordachte en gelaagde `verhalen' van Mark Wallinger (1959), die menigeen in het Britse paviljoen in zijn ban weet te houden.

Het gegeven is simpel. Wallinger positioneerde zich voor de `international arrivals' van een Londense luchthaven en filmde in slow-motion de op zichzelf gefixeerde passagiers die de elektronische schuifdeur uitkotst. Niemand ziet iemand, een ieder haast naar een volgende bestemming. Uitgezonderd dan de laatste passagier: een Aziatische man met een Schipholtasje (See/Buy/Fly), die verdwaasd blijft stilstaan, en letterlijk geen kant uit weet te gaan. Een subtiel pleidooi voor empathie, zonder een vleug van pathos.

Behalve het Britse paviljoen zijn ook Duitsland, Amerika en Frankrijk traditioneel de eerste `musts'. De Amerikaan Robert Gober speelt een zo ingewikkeld spel met krantenberichten, houten latten op rechthoeken van piepschuim en een mysterieus verlichte, ontoegankelijke kruipkelder, dat er een week denken overheen moet gaan wil men tot een uitspraak durven komen.

De Fransman Pierre Huyghe (1962), recentelijk nog in het Van Abbemuseum in Eindhoven, kan zich met zijn kernachtige video meten met Wallinger. Hij laat de ramen van twee hoge, in het duister gehulde flatgebouwen een lichtchoreografie uitvoeren. Er is geen mens tussen of in de flats te bekennen. En wie zich ter plekke net zo wil isoleren als die flatbewoners op de wand, verandert met een druk op een knop de transparante deuren van het paviljoen in ondoordringbaar melkglas. Een ideale vondst voor binnenhuisontwerpers.

Sommige paviljoens kan men snel voor gezien houden. Zodra meer kunstenaars in een toch al beperkte ruimte naar een artistieke consensus streven, is de mislukking vaak nabij. Neem bijvoorbeeld Denemarken dat geen maat weet te houden met een ratjetoe van sculptuurtjes, vage schilderijen en ook nog een new-age kinderkamer. Of kijk naar het Oostenrijkse paviljoen, nauwelijks bereikbaar door de recente wolkbreuken, dat iets onduidelijks aan kleur projecteert en een paar levende kunstenaars als tuinbeelden in de hoek zet. Zwitserland en Hongarije parodiëren de hedonistische fitness-mens van deze tijd, met respectievelijk meditatieve `one liners' op billboards en bekers, over geluk, liefde, succes en nog zo wat, terwijl de Hongaar Antal Lakner (1966) voor elke activiteit – zagen, plamuren of een kruiwagen voortduwen – wel een professioneel ogend fitnessapparaat in elkaar weet te knutselen.

Tegenover die flinterdunne inhoud staan netzoveel presentaties die genoeg te denken geven. Het evenwichtige aanbod in disciplines en gevarieerdheid dat Szeemanns hoofdtentoonstelling biedt, weerspiegelt zich als het ware in de landenpresentaties. En als er dan toch gespeculeerd moet worden rondom de Biennale-prijs, dan zijn er wat mij betreft, behalve de Brit Wallinger, nog twee favorieten. Luc Tuymans stelt in het museale, Belgische paviljoen bijna dertig van zijn in kleur en thematiek weerbarstige schilderijen tentoon; een schilder `als een forensische arts (...) die liefdevol het geschonden gelaat van de moderne kunst bijwerkt met cosmetica van een akelige schoonheid', zoals de Amerikaanse conservator Robert Storr (MoMA, New York) in de ideale catalogus schrijft. En dan is er nog Canada, waar videomakers Janet Cardiff (1959) en George Bures Miller (1960) anderhalf uur wachttijd belonen met een ingenieuze confrontatie tussen de werkelijkheid filmbeelden in een opera-achtig miniatuurtheater en de zo herkenbare menselijke angsten en frustraties, die ze hun publiek via de koptelefoon influisteren. `Staat het gas thuis nog aan?' `Welke enge man hijgt daar achter me?' `En wiens mobieltje rinkelt daar zo hinderlijk?' Irritaties waar deze biennale overigens geen enkele aanleiding toe geeft.

Van 9/6 tot 4/11 in de Giardini, Venetië.