Het zout tot op de bodem uitgediept

Iemand maakt een documentaire of een reportage over een groep mensen (een jaargang, een schoolklas) en jaren later komt een andere documentairemaker of journalist op het idee de personages op te sporen om na te gaan hoe het ze is vergaan. Een beproefd procédé.

In de novelle Araya van Fleur Bourgonje vertelt een naamloze ikfiguur dat een vrouw die jarenlang `op de bodem van haar geheugen had stilgestaan' ineens `in beweging' was gekomen. De `ik' herinnert zich deze vrouw uit een film die ze 25 jaar geleden heeft gezien toen ze in Venezuela woonde. De documentaire speelde zich af op het Venezolaanse schiereiland Araya waar al sinds mensenheugenis onder primitieve omstandigheden het zuiverste zout ter wereld wordt gewonnen.

Natuurlijk gaat Bourgonjes hoofdpersoon achter deze plotseling in haar hoofd opgestane vrouw aan. Vrijwel alle hoofdpersonen in haar uit meer dan tien romans, novelles en verhalenbundels bestaande oeuvre grijpen ieder voorwendsel om op reis te gaan met beide handen aan. Maar anders dan waar het documentairemakers of journalisten om te doen zou (moeten) zijn, hebben de figuren van Bourgonje geen wezenlijke belangstelling voor de mensen naar wie zij op zoek gaan. Ze willen weten hoe het er met henzelf voorstaat en of hun herinnering aan een tijd en plaats waar ze gelukkig waren iets met de werkelijkheid uitstaande heeft.

In haar poëtische, soms enigszins gezwollen taal laat Bourgonje haar hoofdpersoon uitleggen hoe schraal haar wereld is op het moment dat ze besluit naar het al even schrale Araya te vertrekken: `Wat ik weet is dat het landschap van mijn leven op het moment van de herinnering leek op het landschap van Araya, het schiereiland waar alleen zij het uithouden die zich over het waar en waarom geen vragen stellen maar als vanzelfsprekend opstaan, hun hartslag afstemmen op het ritme van zon, zee en wind en hun werk doen, hakken, kappen, sjouwen en laat op de avond aan liefde denken, daaraan alleen, ook als er geen liefde is, of juist daarom.'

Als de `ik' in Araya aankomt blijkt niets meer zo te zijn als vier decennia geleden toen de documentaire werd gemaakt. Het zout, dat tegenwoordig machinaal wordt gewonnen, is er nog wel, maar het heeft het verleden niet kunnen conserveren zoals de `ik' eigenlijk had gehoopt. Ooit is ze in Venezuela gelukkig geweest met haar man en dochtertje. De man is van het toneel verdwenen, het kind volwassen en zelfstandig. En zijzelf? `Wat is ze oud geworden', denkt ze over de vrouw in het zwart uit de documentaire die na 25 jaar in haar hoofd is opgestaan. Kennelijk is het beeld van die vrouw met haar meegegroeid: ze is het zelf.

Wie Fleur Bourgonjes werk kent, komt in deze strak gecomponeerde novelle, waaruit alle context zoveel mogelijk is weggesneden, weinig nieuws tegen. Ook veel van haar eerdere boeken spelen in Latijns Amerika, waar ze tien jaar woonde en opnieuw is haar hoofdpersoon een labiele vrouw die verlangt naar geborgenheid maar op de vlucht slaat om haar dromen of herinneringen na te jagen. Het liefst bezoeken haar protagonisten onherbergzame plekken waar mensen er op wonderbaarlijke wijze toch in slagen te overleven. Aan die overlevingsdrift lijkt ook de hoofdpersoon van Araya houvast te ontlenen.

Een typische verhalenvertelster is Bourgonje nooit geweest, ze schrijft associatief en verruilt het beschrijvende voor een consequent doorgevoerde symboliek. Meestal werkt ze vanuit één enkele metafoor die ze tot op de bodem uitdiept. In Araya gaat ze uit van het zout, dat staat voor schraalheid, uitdroging en dorst, maar ook voor tranen, ontsmetting en zuivering. Denk aan de vrouw van de bijbelse Lot die in een zoutpilaar veranderde omdat zij omkeek: omkijken leidt tot verstening. Als de ikfiguur, terug in Venezuela, naar foto's kijkt die haar toenmalige man daar 25 jaar geleden van haar en haar kind heeft genomen, denkt ze: `Het is of we geen ziel hebben [...]; het is of we louter lichaam zijn, louter vorm.'

Dit commentaar is ook van toepassing op het schrijverschap van Fleur Bourgonje, alsof haar verhalen geen ziel hebben en louter uit vorm bestaan. Met Araya heeft zij nogmaals uitgedrukt wat voor haar schrijven betekent: iets zoeken op een plek waar niets is. `Loop ik door een droom of door de werkelijkheid, door allebei?', vraagt de ik in Araya zich af. En ze antwoordt: `Het maakt niet uit: als ik maar loop, als ik maar ergens vandaan kom of naar toe ga, als ik maar in beweging ben.'

Als ik maar zoek – in de taal. Het is een honorabel uitgangspunt, maar misschien toch eerder voor een dichter – wat Bourgonje óók is – dan voor een romancier.

Fleur Bourgonje: Araya. Atlas, 103 blz, ƒ34,90