Het virtuele tijdperk

Aan de ingang van de bioscoopzaal kreeg je een brilletje met een rood en een groen glas. Keek je daardoor naar deze speciale film, dan zag je de beelden in drie dimensies. Dat was je door deskundigen verteld, je geloofde het zo sterk dat je af en toe werkelijk in de beloofde diepte keek. Ongeveer zoals een kind kan zweren dat het in het bos een kabouter met een rode puntmuts heeft zien draven. Misschien was dat ook wel zo. En misschien waren in deze film ook wel de drie dimensies te zien. Maar wàt had dan die drie dimensies? Vertel op! De sensatie van het nieuwste was zo groot dat het al het andere heeft verdrongen. Pas veel later heb ik beseft dat alle mensen die met een rood-groene bril in de bioscoop hebben gezeten, daarmee de drempel van het virtuele tijdperk hebben overschreden.

Strikt genomen is het al veel eerder begonnen, met de stereoscopische camera en het bijbehorende kijkapparaat. In de aardrijkskundeles vertoonde de leraar (meneer Boer) foto's van de helling van de Merapi. Dat was een groter sensatie dan de driedimensionale film. Stenen, kiezels met scherpe slagschaduwen op het fijne gruis van de vulkaanhelling. Haren, rimpels, pukkels op de portretten. De stereoscopie geeft de illusie van het tastbare; het beeld wordt een schouwspel van grijpbare dingen. Nergens lijkt het verleden zo direct onder handbereik te liggen als op een stereoscopische foto. Met `virtueel' geef je niet meer dan een zwakke beschrijving van deze magie. Wordt er nog stereoscopisch gefotografeerd? Ik denk dat het door de technieken van de virtualiteit obsolete is geworden.

Via de rood-groene brilletjes bereikten we dus het virtuele tijdperk, niet beseffend dat daarna van de virtualiteit horen en zien ons zouden vergaan. Ik ben er niet tegen, zeg ik er voor alle zekerheid bij. Ik geloof niet dat het voor-virtuele tijdperk beter was. Een paar dagen geleden heb ik nog aan de knoppen van een computerautomaat gestaan, zo'n apparaat met een beeldscherm waarop twee mannen, middeleeuws uitgedost, met zwaard en knuppel proberen elkaar kapot te maken. Eigenlijk ben ik degene die zo'n strijder bestuurt. Nee, eigenlijk laat het programma in de computer mij dat doen. Nee, eigenlijkst is het degene die het programma heeft geschreven waardoor ik nu voor plusminus één euro twee virtuele idioten elkaar leuk kan laten aftuigen.

In Time van 4 juni is het omslagverhaal gewijd aan alles wat interactief is. Ondertitel: A skeptic's guide to the innovations that are changing our world. Wordt onze wereld door de interactieve technologie meer tot een eenheid, of worden we juist uit elkaar gedreven? Ziedaar de vraag. Het essay is geïllustreerd met de Mona Lisa, met een gsm in haar hand, muis op haar borst, cd in haar hoofd. Hoe komt het dat altijd weer dit meisje wordt toegetakeld? Ik stel de vraag niet op een verontwaardigde maar op wetenschappelijke toon. Sinds Marcel Duchamp er een snor op heeft getekend, is ze vogelvrij. Daar moet een oorzaak voor zijn die te achterhalen valt. En dan: hoe bevrijden we ons in deze nieuwe eeuw van Duchamp?

Het is wel een leuk nummer van Time. Ja, leuk. Ook voor de vakantie. Er is bijvoorbeeld een korte geschiedenis van de interactiviteit, met als een van de eerste mijlpalen de Steen van Rosetta, het spijkerschrift ontcijferd door Jean-François Champollion en als voorlopig laatste, George W. die gehoorzaamt aan het advies van zijn advocaten, en zijn e-mail niet meer leest. Op het ogenblik is de ik-televisie in een gevorderd stadium van ontwikkeling. Als het zover is, zal iedereen zijn eigen intrige kunnen verzinnen, de muziek componeren en het decor ontwerpen. Zo komt er een programma Thrash Your Hotel Room. Het is bekend dat rock-stars vaak alles in hun hotelkamers kort en klein slaan voor ze bewusteloos van de dope in elkaar zakken. In Frankrijk en Zweden kan iedereen nog deze maand zo'n ster zijn, en ten minste twaalf dingen aan gruizels gooien. MTV brengt het op de markt. Vroeger (daar heb je het weer!) had je op Hollandse kermissen de vrolijke keuken, waar niet de rock-star, maar de dronken boeren met stenen op aardewerk tekeer konden gaan. En op Amerikaanse kermissen het Hit the Man of Distinction; dat was attractie met een man in smoking, hoge hoed, die je met modderballen kon bekogelen.

Een voordracht van W.F.Hermans over Bolland, de grote hegeliaan, heet Kan de tijd tekens geven? Bolland was van mening dat de beschaving verschrikkelijke tijden tegemoetging. Hij leidde dat onder meer af uit de groeiende populariteit van de fiets, vooral bij vrouwen. Het trappen op de trappers en het schokken over de slechte wegen kon niet goed zijn voor hun onderlichaam. Bolland had dat weer van een Britse wijsgeer, wiens naam ik hier niet bij de hand heb.

De tijd geeft tekenen, vast en zeker. Maar zijn het echte of virtuele tekenen, of zijn de virtuele juist de echte? Daar moeten we nog achter zien te komen.